Voormalig tbs’er pleegt minder vaak nieuw delict - behandelduur ‘punt van zorg’

Staatssecretaris Fred Teeven op archiefbeeld, 3 maart 2009, toen nog als kamerlid. Foto NRC / Roel Rozenburg

Ex-tbs’ers gaan de laatste jaren minder vaak de fout in. Dat blijkt uit cijfers tot 2011. Het gaat daarbij om alle vormen van criminaliteit, van diefstal tot moord.

Van de tbs’ers die tussen 2004 en 2008 werden vrijgelaten, kwam 20,9 procent binnen twee jaar opnieuw met justitie in aanraking. Bij tbs’ers die tussen 1999 en 2003 vrijkwamen lag dat percentage nog op 23. Gedetineerden die in de gevangenis zijn opgesloten, recidiveren veel vaker. Binnen twee jaar gaat bijna de helft (49,3 procent) opnieuw in de fout.

Staatssecretaris Teeven van Justitie en Veiligheid heeft de jongste cijfers vanmiddag aan de Tweede Kamer gestuurd. Hij baseert zich op de Factsheet Recidive TBS 1974-2008 van het WODC, het onderzoeksbureau van het ministerie.

Dalende recidive deels doordat tbs’er minder snel wordt vrijgelaten

De onderzoekers vermoeden dat bij de dalende recidive meespeelt dat tbs’ers minder snel worden vrijgelaten. Twintig jaar geleden verlieten zij gemiddeld na 5,5 jaar de kliniek, in 2008 was dat 9 jaar. Zij stellen:

“Het zou kunnen dat alleen de patiënten met een relatief gunstige prognose in vrijheid werden gesteld.”

Het aandeel vrouwelijke tbs’ ers dat wordt vrijgelaten, ging van 4 naar 10 procent.

De toegenomen behandelduur is “een punt van zorg”, schrijven de onderzoekers. Het leidt tot een groter aantal verdachten dat probeert géén tbs te krijgen. Ze willen liever een vaststaand aantal jaren celstraf dan een onbekend aantal jaren in een tbs-kliniek, en weigeren daarom medewerking aan onderzoek naar hun psychische gesteldheid in het Pieter Baan Centrum (PBC). In die kliniek wordt onderzocht of iemand toerekeningsvatbaar was bij het delict.

Helft van verdachten over wie rechter advies vraagt werkt niet mee

Van de verdachten over wie de rechter advies vraagt, weigert 50 procent mee te werken. Dat wil niet zeggen dat er geen advies over hem of haar wordt uitgebracht. Zo adviseert het PBC bijvoorbeeld tbs op te leggen aan zedenverdachte Robert M., die niet wilde meewerken.

Bij 36 procent van de weigeraars wordt alsnog advies uitgebracht. Ook dat percentage is gestegen, het was 22,4. Het PBC kan zich baseren op politieverhoren, het gedrag van verdachten tijdens hun opsluiting en gesprekken met hun familie of vrienden. Ook als het PBC geen tbs-advies geeft, kan een rechter tbs opleggen, maar dit gebeurt zelden.