Vergaderzaal als slachthuis zonder bloed

BASF, Ludwigshafen, Duitsland

Jacqueline Hassink: The Table of Power 2. Hatje Cantz, 223 blz. €58,-

Het onderwerp kwam terloops ter sprake: de kunst van het fotograferen van vergadertafels. Meer dan dat – het ging om de vergadertafels van multinationals, met hoofdkantoren in Europa. Een stel machtige mannen, zelden dames, treft elkaar een paar keer per maand of jaar aan zo’n tafel – om de toekomst van het bedrijf veilig te stellen.

Hoe kijk je nou naar zo’n vergaderruimte, vroeg ik aan een heer van het topsegment. Hij antwoordde in een seconde: „Zie zo’n zaal als een slachthuis, maar dan zonder bloed”. De heer van het topsegment kan het weten. De werkvloer zal zich er nauwelijks om bekommeren of hun hoogste bazen vergaderen aan een tafel van notenhout, mahonie of staal. Men kent de in- en uitvliegende titanen nauwelijks.

Fotografe Jacqueline Hassink (1966) inventariseert die exclusieve vergadertafels al jaren. In 1996 verscheen haar eerste boek The Table of Power – antiquarisch zo’n 2.000 dollar – en nu is er een completer deel 2. Hassink is dus succesvol, woont in New York, reist de wereld rond voor haar project en heeft al een fotoboek of tien op haar naam staan, ook over andere machtgerelateerde thema’s, zoals de tafels van vrouwelijke leidinggevenden, thuis en op het werk.

Hassink is ook vasthoudend. Wie niet meewerkt aan haar foto-conceptuele onderneming krijgt een blanco pagina mét naamsvermelding. Gebrek aan openheid, haperende communicatie, wantrouwen jegens de buitenwereld – concurrenten, medewerkers en ‘muppets’ kunnen er van alles achter zoeken.

Deel 2 onthult dat steeds meer multinationals en banken Hassink wél toelaten in hun heilige der heiligen. Van de Banco Santander en Siemens tot de ThyssenGrupp en Volkswagen. Weigeraars zijn onder meer Peugot, Deutsche Bank, Gazprom, Nestlé en Tesco. Feiten over omzet, producten, mondiale vestigingen, bestuurslagen, aantal werknemers – elk deelnemend concern is in het boek financieel-economisch gestript. Hassink zocht zelfs uit welke voornaam onder Europese CEO’s op de top-40 van het tijdschrift Forbes tussen 1995 en 2010 het populairst was. En dat was Peter.

Ziehier een interessant naslagwerk over de toppen van het bedrijfsleven dat in geen enkele antichambre zal misstaan. Maar feit blijft dat het boek draait om de foto’s, niet om de teksten, en daar is patholoog-anatomisch van alles bij vast te stellen. De vergaderzalen zijn duur, modern, robuust en saai. Ze moeten immers gezag, eendracht, efficiency, standvastigheid en solvabiliteit uitstralen. Aan bloemen doet men niet en aan planten nauwelijks, behalve in een paar Romeinse boardrooms. Projectieschermen zijn in, klokken zijn uit. Lichtarmaturen, afgestemd op de vorm van de tafel, imponeren weinig. Je vraagt je wel af of al die spots afzonderlijk kunnen worden gericht op winners of losers.

De stoelen, vaak van zwart leer, werden ontworpen door Charles Eames of lijken daarop. Zo niet, dan hebben ze eveneens een vermogen gekost. Een mooi uitzicht komt zelden voor, of is niet waar te nemen. Maar bij de Assicurazioni Generali in Venetië kijkt men vanuit een 12de-eeuws pand cool over het San Marcoplein uit. Vaak vergaderen de top der toppen achter luxaflex en tussen duur betimmerde wanden die door kietellicht beschenen worden. Bij Allianz SE, München moet het bestuur zijn iPhone deponeren in een speciaal daarvoor ontworpen verzamelkastje. Elders blijft men vanonder de tafelrand blijkbaar door sms’en. Even comfortabel loungen? Vergeet het maar. De heren zijn duur, hun tijd is schaars en alles draait om winstmaximalisatie.

Kunst kom je opvallend weinig tegen, een enkele keer wordt de zaal gesierd door portretten van verdwenen topmannen, zoals bij Shell in Den Haag. Jammer, want al bladerend van foto naar foto – tot in de finesses doordacht, gecomponeerd en belicht – schuiven honderden meters lege wanden voorbij, die met landschappen (keurig traditioneel thema) van schilders als Robert Zandvliet en Per Kirkeby toch op weldadige wijze aan de status van het bedrijf kunnen bijdragen. Of mag dat niet van de aandeelhouders, de rupsjes-nooit-genoeg?

De voornaamste onder de voorname zalen oogt die van BNP Paribas in Parijs, waar Napoleon zijn Joséphine de Beauharnais ten huwelijk vroeg. Een eeuwenoud gobelin aan de wand, kroonluchters, een hoogpolig tapijt met toepasselijke randversieringen en een fijne, gedateerde ovalen tafel. Frankrijk is nu eenmaal minder doortrokken van sloopzucht dan Nederland. Ook de Banco Santander in Santander hecht aan zijn geschiedenis; in het zacht zeegroene interieur ‘weerspiegelen’ de fraai gestucte cassettes aan het plafond zich exact in de ‘tekening’ van het ivoorwitte tapijt.

Banken bogen op traditie, industriële concerns spreiden met kille moderniteit tentoon dat ze met hun tijd meegaan, dat ze het in hun kostbare gestrengheid tegen elkaar kunnen opnemen en dat ze zich door niets en niemand laten afleiden. Op zo’n moment van weinig inzicht laat je al die foto’s van dure deftigheid graag voor gezien om op YouTube even Jerry Lewis in ‘The Errand Boy’ (1961) aan te tikken. Een (pantomime-)scène met een postkamerbediende die in de lege kamer van de CEO voor directeur gaat spelen. Zelden zo’n idiote parodie gezien op de zakenmannenmacht, die in het boek van Hassink volstrekt gespeend lijkt van zelfspot en zelfrelativering.