Column

Toulouse, Breivik, Israël: alles op één grote hoop

Het debat rondom de moorden die Mohamed Merah de afgelopen weken in Frankrijk heeft gepleegd vertoont een opvallende asymmetrie.

De schutter, een 23-jarige Fransman van Algerijnse origine, schoot vanaf zijn scooter op zondag 11 maart een Franse militair dood die in Afghanistan actief was geweest. Op donderdag 15 maart schoot hij nog eens drie Franse militairen dood die bij een pinautomaat stonden te wachten. Op maandag 19 maart verscheen de schutter bij een joodse school. Hij schoot een rabbi en diens twee zoons dood, rende de school in en greep een meisje van zeven jaar. Hij tilde het meisje aan de haren op, pakte zijn geweer en schoot haar door haar slaap. Toen beklom hij zijn scooter weer en maakte zich uit de voeten.

Iedereen keek in eerste instantie naar extreem-rechts. Getuigen spraken van een „lange man met blauwe ogen” en verschillende neonazi’s werden verhoord. François Bayrou, in de aankomende presidentsverkiezingen de kandidaat van het politieke midden, stelde dat Sarkozy en Le Pen verantwoordelijk waren voor een klimaat waarin slachtoffers konden vallen. Wie suggereert dat immigratie een probleem is, roept gevaarlijke gevoelens op, zo was zijn boodschap. Ook de linkse presidentskandidaat, François Hollande, benadrukte dat „mensen met verantwoordelijkheden”, waarmee hij kennelijk doelde op Sarkozy, „op hun woorden moeten passen”. Verschillende politici maakten zich dus klaar om munt te slaan uit de tragedie.

De game changer kwam woensdagmorgen, toen Merah belde met tv-zender France24 om zijn motieven toe te lichten. Hij bleek een moslimfundamentalist. De aanslagen had hij gepleegd uit verzet tegen het Franse boerkaverbod en de militaire aanwezigheid in Afghanistan. Zijn woede ging vooral uit naar moslims die in dienst van de Franse staat tegen andere moslims streden (bijvoorbeeld in Afghanistan). Op de vraag waarom hij onschuldige joodse kinderen had gedood antwoordde hij: „De joden doden onze broeders en zusters in Palestina.”

Je zou denken dat de triomfantelijke uithalen over „de weg bereiden voor geweld” nu de andere kant op zouden schieten. Naar aanleiding van Breivik moesten rechtse politici en auteurs die immigratie en islam bekritiseerden, het immers stevig ontgelden. In de dagen waarin gedacht werd dat Merah een extreem-rechtse islamhater was, werd fronsend gekeken naar Sarkozy en Le Pen. Zou er nu dan worden betoogd dat het erg gevaarlijk kan zijn om de Koran te lezen? Zouden de velen die voortdurend hebben bericht over de ‘wandaden’ van Israël, maar zelden of nooit aandacht besteedden aan de slachtoffers van Palestijnse raketaanvallen op Israëlische scholen en woonwijken, nu ernstig bij zichzelf te rade gaan? We zien toch wat er van komt?

Geenszins. Neem de uitspraken van Catherine Ashton, de Hoge Vertegenwoordiger van de EU. Op een Brusselse bijeenkomst van de UNRWA, een hulporganisatie van de Verenigde Naties ten behoeve van Palestijnse vluchtelingen, sprak zij de volgende woorden: „Als we denken aan wat er gebeurd is in Toulouse vandaag” – waarmee ze kennelijk de terreuraanslag bedoelde – „als we ons herinneren wat er gebeurd is in Noorwegen een jaar geleden, als we weten wat er gebeurt in Syrië, als we zien wat er plaatsvindt in Gaza en Sderot en in andere delen van de wereld – dan herinneren we ons jonge mensen en kinderen die hun leven verliezen.”

Terecht konden deze uitspraken rekenen op de woede van Israël. Een massaslachting in Toulouse valt niet te vergelijken met de defensieve operaties van het Israëlische leger. Er is nooit sprake van geweest dat Israëlische militairen een school binnengingen om daar gericht ongewapende kinderen dood te schieten. Enzovoorts.

Maar opvallender was dat de uitspraken van Ashton in Europa zo goed als genegeerd werden. Is dit omdat niemand zich überhaupt iets aantrekt van haar reilen en zeilen? Omdat de meeste mensen nog nooit van haar hebben gehoord en geen idee hebben wie zij is?

Dat alleen kan het niet zijn. Een even oorverdovende stilte ontstond toen vorige week de grootmoefti van Saoedi-Arabië aankondigde dat het noodzakelijk is dat alle kerken op het Arabische schiereiland worden vernietigd. Op zijn doodsbed, destijds in de zevende eeuw, zou de moslimprofeet immers hebben gezegd: „Er mogen geen twee godsdiensten op het Arabische schiereiland zijn.”

Wederom de vraag: waarom horen we hier niets over? Geen columnist, geen politicus, geen tv-programma dat erop inging. De kop in het zand – het mag niet bestaan.

In het toneelstuk Breivik ontmoet Wilders van Theodor Holman, dat gisteren in Amsterdam in première ging, voeren Breivik en Wilders een fictieve dialoog. Tegen het einde laat Holman Breivik verzuchten: „Het zal niet lang meer duren of men zal applaudisseren voor een moslim die trots vertelt dat hij moslim is, maar geen geweld gebruikt.” En Wilders antwoordt: „In mijn land zouden ze nu zeggen: de toon van het debat staat mij niet aan.”