Opgelicht

Af en toe kijk ik met een zekere wellust naar een uitzending van Opgelicht van Antoinette Hertsenberg, die ook het programma Radar presenteert. Beide zouden makkelijk kunnen worden samengevoegd, want de consument wordt voortdurend opgelicht, heb ik begrepen.

We worden getrakteerd op een keur van oplichterspraktijken. Heerlijk! Er komt een man in beeld die zegt: „De man heeft bij mij vier bankstellen, een eettafel met acht stoelen, zes fauteuils en drie wandmeubels gekocht, maar nooit betaald.” Een vrouw vertelt dat een dame zes bruidsjurken heeft besteld, maar toen ze om haar geld kwam, was die met de noorderzon vertrokken. Ik geniet. Ik wissel mijn mededogen voor de slachtoffers af met bewondering voor de inventiviteit van de oplichter. Ik geniet. Maar dan.

Er komt een moment dat ze achter het adres van de oplichter komen. Dan wordt het een beetje akelig. Ze gaan met camera en microfoon naar zijn huis en bellen aan. Als hij naar buiten komt, wordt hij aangeklampt. De verslaggever of verslaggeefster wil weten waarom hij het gedaan heeft. Hij weigert te antwoorden en loopt weg, maar ze houden aan. Hij zet er de pas in, zij ook, als hij gaat rennen, rennen ze mee. De televisieploeg begint dan te lijken op een meute kwijlende honden die een aangeschoten wild zwijn belagen. Soms drukt de oplichter een woedende hand tegen de lens van de camera, ook komt het voor dat het ontaardt in een handgemeen, de cameraman krijgt een duw, waardoor het straatbeeld opeens schokkend en ondersteboven op het scherm verschijnt.

Je ziet de oplichter denken: „Dit is uitsluitend een kwestie tussen mij, de oplichter en de mensen die ik opgelicht heb en eventueel de politie, maar daar heeft de TROS niets mee te maken.” Dat is het moment dat ik vind dat die oplichter daar eigenlijk groot gelijk in heeft.