Limonov, onze barbaar, ons boefje

De Franse schrijver Emmanuel Carrère dook in leven en ziel van de Russische schrijver en avonturier Edward Limonov. Hij laat in een overdonderend boek zien hoe de wereld viel voor Limonovs charme – en zich rot schrok toen hij meevocht in voormalig Joegoslavië. In Rusland kon het niemand iets schelen, trouwens.

Emmanuel Carrère: Limonov. Vertaald uit het Frans door Katelijne de Vuyst en Katrien Vandenberghe. De Bezige Bij Antwerpen, 352 blz. € 24,95

Hoeveel mensen hebben met eigen ogen kunnen constateren dat de wasbakken van ‘Eurogoelag’, een Russisch strafkamp aan de Wolga, precies dezelfde zijn als die in een duur hotel in New York, ingericht door topdesigner Philippe Starck?

Niet veel. Misschien maar één: Edward Limonov, geboren op 2 februari 1943, vlak voor Hitlers leger capituleerde aan de oevers van de Wolga. Het is een van de redenen waarom Emmanuel Carrère jaren wijdde aan het leven van deze Rus die opgroeide in de gewelddadige jeugdbendes in een dorp in Oekraïne, clochard werd en huisknecht van een miljardair in New York, maar ook dichter, schrijver, gevierde ster in Parijs, huursoldaat, oprichter van een politieke partij geïnspireerd door bolsjewistisch, fascistisch én nazistisch gedachtegoed, echtgenoot, vader en gevangene in de beruchtste gevangenissen van Rusland.

‘Ik kan u daar een goed verhaal over vertellen’, schrijft Emmanuel Carrère regelmatig in zijn nieuwe boek. Dan volgt het relaas van een overval op een Moskouse nachtclub, een illustratie van het megalomane karakter van zijn hoofdpersoon, een profetische uitspraak van zijn moeder, Ruslandspecialiste, of hij introduceert weer een nieuwe markante figuur in zijn caleidoscoop van de recente Russische geschiedenis.

Verhalen vertellen – dat kan Carrère. Hij liet het al zien in De sneeuwklas (1995) en Op drift (1986), romans waarin de waanzin toeslaat, identiteiten aan diggelen gaan en de werkelijkheid het gezicht krijgt van een nachtmerrie. In De tegenstander (2000) sleepte hij de lezer mee in zijn fascinatie voor een man die achttien jaar een dubbelleven leidde en op het moment dat dat aan het licht dreigde te komen zijn hele familie vermoordde.

Langzaam liet de schrijver het fait divers los: in Een Russische roman (2007) duidde hij zijn morbide obsessie met moord, opsluiting en waanzin en bevrijdde hij zich van zijn eigen demonen. Dat was duidelijk te merken in Andere levens dan het mijne (2011), een schitterend persoonlijk boek, dat wel autobiografisch is, maar met Carrère als ‘subjectieve getuige’ en niet als onderwerp én lijdend voorwerp.

Langzaam ook legde Carrère zijn verbeelding aan banden, werd hij steeds meer rapporteur van wat hij zag en meemaakte. Hij verbeeldde niet meer van binnenuit de waanzin van een figuur in wie hij helemaal opging, maar deed, in woord en beeld, verslag: van de ellende op het Russische platteland bijvoorbeeld. Hij observeerde het gedrag van vrienden nadat een tsunami hun kind had meegesleurd of hij verwoordde zijn eigen gevoelens na de dood van zijn zus.

Grote letters

Hij werd minder romanschrijver en meer non-fictie auteur: de toevoeging ‘roman’ is op het Franse origineel van Limonov dan ook verdwenen. ‘Echt gebeurd’ staat er nu met grote letters op het omslag – gevoel voor de tijdsgeest kan Carrère niet worden ontzegd.

Nu hoeft er bij een boek over Limonov ook weinig verbeelding aan te pas te komen: hij leefde zijn leven zodat het vereeuwigd kon worden. Vooral de eerste 100 bladzijden zijn een absoluut leesgenot, zelfs al heb je nog nooit van de hoofdpersoon gehoord. Carrère sleept je zijn verhaal binnen, overdondert je met zijn charme en zijn hoogstpersoonlijke aanpak. Vrienden van de vermoorde Russische journaliste Anna Politkovskaja maken hem, op reportage in Moskou, nieuwsgierig naar de huidige naam en faam van Limonov.

Carrère herinnert zich hoe de Russische schandaalauteur in de jaren tachtig door de Parijse jetset werd omarmd. ‘Limonov was onze barbaar, ons boefje – we droegen hem op handen’; hoe de bewondering omsloeg in afschuw toen hij zich aan de kant van de Serviërs schaarde en daadwerkelijk deelnam aan de gevechten op de Balkan. Zijn imago van charmante avonturier veranderde in één klap in dat van oorlogsmisdadiger. Geen Rus die het hem kwalijk neemt, constateert Carrère, die alom wordt gefeliciteerd als hij twee weken lang met Limonov mag optrekken: ‘Ze reageerden alsof ik tegelijk Houellebecq, Lou Reed en Cohn-Bendit kwam interviewen : twee weken met Limonov, je boft maar !’.

Het is, kortom, vooral de avontuurlijke kant van Limonov als schelm die Carrère verleidt: de man heeft maar één streven, beroemd worden, een held zijn: in de jongerengangs waar hij opgroeit, in de underground, in de literatuur, op het slagveld, in de politiek. Én in de gevangenis: ‘voor iemand die zichzelf als een romanheld ziet, is de gevangenis een niet te missen hoofdstuk’.

Op ieder milieu raakt hij na een tijdje uitgekeken, hij moet en kan beter. Zijn boeken draaien maar om één onderwerp: zijn eigen leven. Vervelend vindt hij vooral de mannen die het echt maken, Joseph Brodsky, Alexander Solzjenitsyn, Vladimir Poetin. Al die bewondering van het publiek voor dat soort figuren leidt maar af van degene die het meest bewonderd moet worden, hijzelf.

Interessant is Carrères analyse van Limonovs oppositie ten aanzien van Poetin. Ze hebben dezelfde sociale achtergrond, hebben het patriottisme met de paplepel ingegoten gekregen, deelden wantrouwen tegen de perestrojka en beschouwen de ineenstorting van het communisme als de grootste catastrofe van de 20ste eeuw. Limonov en Poetin – ze lijken op elkaar, ze zijn stoer, macho, ze houden van macht. Met één verschil: Poetin is geslaagd in het leven, Limonov niet. Die laatste rest slechts een rol van actievoerder in de marge. Vandaar Carrères keuze voor het motto van Poetin, voorin zijn boek: ‘Wie het communisme terug wil heeft geen hersens. Wie het niet mist heeft geen hart.’

Panorama

Eenvoudig is het niet, schrijft Carrère, het is ingewikkeld om het leven van één man te verbinden met meer dan een halve eeuw roerige, Russische geschiedenis en hij schrijft juist, ‘om die complexe situatie te ontvouwen’. Dus laat Carrère niet alleen alle mogelijke kanten zien van Limonov, waarbij hij zich vooral baseert op diens eigen werk, maar schetst hij een uitgebreid panorama van alle milieus waarin deze verzeild raakt, inclusief hoofd- en bij- en randfiguren. Het leidt soms tot een doolhof waarin Ariadnes draad bij tijd en wijle ontbreekt, terwijl de hoofdpersoon, middenin dat labyrint, zich steeds pathetischer op de borst staat te kloppen.

Uiteindelijk kan Limonov het opbrengen om één vraag te stellen aan die Franse schrijver die hem daadwerkelijk zal vereeuwigen: waarom schrijft Carrère eigenlijk een boek over hem? Carrère antwoordt dat hij het leven van Limonov geweldig vindt, romanesk en gevaarlijk. ‘Une vie de merde, ja’, bijt de held hem toe, een rotleven kortom.