Lang leve de carrièreschrijver

Literair succes draait tegenwoordig vooral om geluk, zelfpromotie en marketing. Dat is slecht nieuws volgens de Britse succes-auteur Tim Parks.

Sinds wanneer is het schrijversschap een carrièrekeuze geworden, met de daarbij behorende academische opleiding en een pikorde? En maakt deze stand van zaken enig verschil voor wat er wordt geschreven?

Op school leerden we twee tegenovergestelde visies over de schrijver als kunstenaar. Enerzijds was hij een bekwame ambachtsman die zijn talent in dienst stelde van de samenleving, die hem beloonde met erkenning en mogelijk met geld. Zo was het in de klassieke Oudheid, werd ons voorgehouden, in het Griekenland van Sophocles, het Rome van Vergilius of in het neoklassieke Groot-Brittannië van Alexander Pope.

Anderzijds was er de schrijver die zijn levensverhaal tot kunst verhief en onverschillig stond tegenover kritiek en afkeuring uit de maatschappij die hem juist bewonderde, omdat hij weigerde door het stof te gaan. Dat was in het tijdperk van de Romantiek, die eind 18de eeuw, begin 19de eeuw tot ontwikkeling kwam.

De historische feiten even buiten beschouwing latend, dit werd ons geleerd en zette zich vast in ons geheugen: enerzijds de schrijver als ambachtsman, wiens persoonlijkheid er nauwelijks toe deed, anderzijds de schrijver als charismatische superman. Dit beeld paste in een tijd van spanning tussen de eenling tegenover de gemechaniseerde massamaatschappij. De romantische schrijver hielp de lezer zich te verzetten tegen de dwingende uniformiteit van de moderne, geïndustrialiseerde wereld.

T.S. Eliot maakte het er niet makkelijker op door ons voor te houden dat de schrijver zijn persoonlijkheid moest overwinnen en zijn plek moest zien te vinden in een literaire traditie; zijn werk zou zich pas echt onderscheiden als het de volgende ontwikkeling inluidde van een zich op natuurlijke wijze ontvouwende, collectieve verbeelding, zoals deze zich manifesteerde in ‘de canon’.

Voor de verwarde puber die ik was toen ik Eliot las, leek deze gekunstelde gedachtegang een compromis te moeten vormen tussen de klassieke letteren en de romantiek. Maar alleen op het eerste gezicht. Als je hem zorgvuldig las, was Eliot juist heel romantisch: alleen wie over een echte persoonlijkheid beschikte, bijzondere mensen als hijzelf, zou beseffen wat een last zo’n persoonlijkheid met zich meebracht, en haar vervolgens willen afschudden.

Er was iets pijnlijks en nobels in dat streven dat de schrijver verhief tot een pantheon dat door een elite werd aanbeden. Eliot benadrukte bovenal dat het scheppen van literatuur talloze jaren eindeloos veel noeste arbeid vergde en dat je waarschijnlijk niet zonder een universitaire graad in de oude talen en/of de moderne Europese literatuur kon.

Evengoed waren we volkomen onvoorbereid op de komst van ‘creative writing’ als ‘carrière’. In de afgelopen dertig of veertig jaar is een schrijver iemand geworden die werkt aan een goed uitgestippelde loopbaan, zoals elke andere professional uit de middenklasse, niet om een vakman te worden die de samenleving dient, maar om een beeld van zichzelf te projecteren (door zijn geschriften, maar ook op tal van andere manieren), als kunstenaar die de richting belichaamt waarin de cultuur zich begeeft. Om kort te gaan, de grote nieuwe schrijver. Een Salman Rushdie. Een Orhan Pamuk.

Laten we een paar veranderingen die tot deze toestand hebben geleid eens nader bekijken.

In de 20ste eeuw lazen mensen romans en gedichten niet gewoon, ze gingen ze bestuderen. Dat was revolutionair. Plotseling studeerde iedereen literatuur. Op school was het verplicht. Daar begreep men dat je, zodra er sprake is van metaforen en symbolische patronen en karakterontwikkeling, te maken hebt met ‘literatuur’. Daar geloofde men dat je, als je literatuur kon analyseren, hoogstwaarschijnlijk zelf ook wel literatuur kon produceren.

Schrijvers oogstten enorm veel lof en inmiddels was het bon ton dat niemand door toevallige omstandigheden als afkomst, kleur, sekse of zelfs IQ gebonden was aan een saaie loopbaan. Mede hierdoor gingen hele horden mensen (mijzelf incluis!) schrijven. In de tweede helft van de vorige eeuw daalden de productiekosten van boeken aanzienlijk, jaarlijks stegen de aantallen fictie- en poëzietitels snel, de winsten stonden onder druk en grote partijen belandden in de ramsj.

Slechts weinig auteurs haalden grote oplagen, terwijl verreweg de meesten van hen hun boeken aan de straatstenen niet kwijt konden. De taak van de schrijver was niet gewoon een boek te produceren, hij moest zich op elke denkbare manier zien te verkopen. Door middel van een website, een Facebookpagina (ik ben geen uitzondering), misschien door middel van iemand die zijn marketing doet.

Gratis reizen schrijvers de hele wereld af naar literaire festivals. Ze nemen voor een grijpstuiver zitting in de jury van een literaire prijs, schrijven artikelen in ruil voor een eenregelige vermelding van hun nieuwe boek, doen mee aan tientallen internetinterviews, bevelen het werk van collega-schrijvers aan in de hoop dat die hetzelfde voor hen zullen doen. Ga zo maar door.

In de eerste helft van de 20ste eeuw viel de teruggang van de gentleman-publisher samen met de snelle groei van het aantal schrijvers dat het establishment wilde bestormen. Samen met de toenemende complexiteit van boekcontracten leidde dit tot het fenomeen van de literaire agent.

Dit verschijnsel maakt duidelijk dat er een botsing bestaat tussen de idee van schrijven als romantische, anti-burgerlijke roeping en de noodzaak voor de beroepsschrijver zich te moeten inlaten met een geoliede reclamemachine. Hopelijk zou de agent de spanning tussen deze twee polen verkleinen.

Al gauw echter bezweken de agenten zo onder de druk van aankomende schrijvers en contractcomplicaties dat ze niet langer konden worden gezien als een opstapje naar de uitgeverswereld of als tussenpersonen die schrijvers ervoor konden behoeden dat ze hun handen vuil maakten. Het was op dit punt in de jaren tachtig waarop de cursus ‘creative writing’ snel aan populariteit won en het imago van de carrièreschrijver in zwang raakte.

Een van de mythen over cursussen ‘creative writing’ is dat studenten eraan meedoen om te leren schrijven. Leren, als en wanneer het al plaats heeft, is slechts een gelukkig bijproduct dat staat of valt met het gegeven onderwijs; een jaar lang uittrekken om te schrijven zou zeer waarschijnlijk tot meer resultaat leiden, en dan zonder docent. Nee, de student doet aan de cursus mee in de hoop dat de docenten, zelf schrijvers, hem bij uitgevers zullen introduceren. In de meeste cursussen ‘creative writing’ leer je tegenwoordig ook hoe je een agent of uitgever moet benaderen en hoe je je werk moet promoten. Met andere woorden, het betere voorbereidende werk.

Tegelijk biedt de vermeende noodzaak van duizenden aspirant-schrijvers om een dure cursus ‘creative writing’ van een jaar te doorlopen voor behoeftige, oudere schrijvers die koste wat kost bezig willen blijven juist de mogelijkheid op betaald werk. Een probleem met ‘creative writing’ als onderwijsloopbaan is dat een carrière stopt met je pensioen. Aan het feit dat creativiteit geen gelijke tred houdt met je hele werkzame leven wordt voorbijgegaan.

Schrijversscholen krijgen regelmatig de schuld van de groeiende versmalling en vervlakking van de hedendaagse literatuur. Dat is unfair. De angst van schrijvers dat ze gefnuikt zullen worden in de carrière die ze hebben gekozen, samen met een gedeeld geloof dat we weten wat literatuur vermag en dat je schrijven kunt leren, moedigt hen aan om dergelijke boeken af te leveren.

Niemand verwacht nog iets echt nieuws. Alleen maar nieuwe versies van het oude. Steeds wanneer ik recensies schrijf of in een jury zit, kom ik zorgvuldig geschreven romans tegen ‘die aan literatuur doen’ zoals we die kennen. Literaire fictie is een genre geworden als alle andere, langs gebaande paden, met een voorspelbare ontknoping en beladen met een tamelijk beperkt en platgetreden staaltje progressieve westerse wijsheid.

Veel zeldzamer is het soort boeken (denk aan Gerbrand Bakkers Boven is het stil of Peter Stamms An einem Tag wie diesem, of iets verder terug het werk van de Engelse schrijver Henry Green) waarin de schrijver op wonderlijke wijze direct vanuit de ervaring en verbeelding lijkt te werken, puttend uit zijn kennis van de literatuur uit het verleden, alleen voor zover deze het gereedschap biedt om het verhaal op de bladzij tot leven te wekken.

Kortom, een quasi onconventioneel publiek is dol op de notie van de opstandige, of tenminste wonder boven wonder onafhankelijke schrijver. En wil hij succes boeken, dan moet diezelfde schrijver ontvankelijk zijn voor de logica van een gestroomlijnde machinerie, die hem van de weeromstuit aanmoedigt om een onconventioneel imago te kweken. Dat is een aansporing tot hypocrisie.

Intussen gaat de wereld open; de boeken reizen verder en worden sneller vertaald dan ooit. Een proces van natuurlijke selectie bevoorrecht schrijvers die qua stijl en inhoud gemakkelijk grenzen overschrijden. Succes en roem kweken navolgers. Heel veel. Niemand kan alles lezen. Niemand kan een honderdste deel van alles lezen. Toch vertellen internationale prijzen ons wat de beste roman van het jaar is, wie de grootste winnaar.

Het uiteindelijke succes van de carrièreschrijver, na een leven van literaire festivals, shortlists en prijzen, lezingen, seminars, eredoctoraten, colleges en, niet te vergeten, schrijven, is idealiter dat hij zich een plaats in ‘de canon’ verwerft. Maar in de uitgeverscultuur van tegenwoordig is de idee dat een proces van langzame filtering een geloofwaardige canon oplevert zoals we die uit vervlogen tijden erfden, nonsens. Wat in de toekomst ooit zal doorgaan voor de canon van onze eigen tijd zal grotendeels het gevolg zijn van goede marketing, zelfpromotie en puur geluk.

Is dit allemaal slecht nieuws?

Alleen als je vasthoudt aan dromen over grootheid. In een amusante lezing getiteld Tienduizend dichters, gehouden tijdens de jaarvergadering van de Association of Literary Scholars and Critics aan de Universiteit van Boston, mijmerde de uitmuntende dichter Mark Halliday: „Ik denk dat wij allen die steeds maar weer een nieuwe bundel willen publiceren nog steeds hunkeren naar grootheid en belangrijkheid.” Maar zoals Halliday zelf al concludeerde, verdragen zulke ideeën zich niet met het tijdperk van de carrièreschrijver.

Vertaling: Robert Dorsman