James Bond ten tijde van Caesar en Brutus

Een Italiaanse bestseller over Caesar is thriller én jongensboek. De lezer hijgt mee op de tocht van Publius Sextius, boodschapper van slecht nieuws. Alles vergeefs. Brutus was wél op tijd.

Caesar, ontdekt in Nijmegen, nu in het Rijksmuseum van Oudheden, Leiden Bewerking Fotodienst NRC

Valerio Massimo Manfredi: De adelaar. De laatste dagen van Caesar. Vert. Jan van Geldrop. Athenaeum – Polak & Van Gennep. 272 blz. €17,95.

In recensies van thrillers mag je nooit verklappen hoe ze aflopen. In het geval van De adelaar, van de Italiaanse schrijver Valerio Massimo Manfredi, volgens de rugtekst ‘een politieke thriller’, mag ik dat eigenlijk dan ook niet doen. Maar misschien heeft u zelf een vermoeden van de afloop als u de ondertitel leest: ‘De laatste dagen van Caesar’. En als u weet dat de Nederlandse vertaling eerst niet De adelaar zou heten, maar De Iden van maart, overeenkomstig het Italiaanse origineel Idi di Marzo (2008). Zeg ‘iden’, en iedereen roept ‘de iden van maart’, en vaak ook in één moeite door ‘15 maart’, ‘de dag waarop Caesar in Rome werd vermoord’. Meestal volgt daar vanzelf ook nog achteraan: ‘Et tu, Brute?’

Hiermee heb ik het slot, en daarmee ook een groot deel van de plot, van De adelaar weggegeven. Toch is het boek van begin tot eind erg spannend. Het is, om maar eens wat te noemen, een boek met achtervolgingen. Dat is altijd goed. Er doen spionnen mee. Dat is ook altijd goed. Zeker als ze niet gewoon ‘spion’ worden genoemd, maar ‘speculator’, meervoud ‘speculatores’.

Er zit dus een James Bond-element in. En net als bij James Bond zijn er goeden en slechten. In dit geval vertegenwoordigt het kamp van Caesar de goede kant. Daartegenover staan de samenzweerders: Brutus en de zijnen. Intussen is het boek geschreven door een hoogleraar in de klassieke archeologie aan de Universiteit van Milaan. Manfredi weet ook wel dat de historische werkelijkheid rondom Caesar erg ingewikkeld was. Hij laat veel ruimte voor twijfel, meningsverschillen en politiek gekonkelfoes, met geheim overleg, dubbele agenda’s, leugen en bedrog.

De adelaar is dus veel tegelijk: thriller, jongensboek, historische roman. Misschien verklaart dat waarom er in Italië al meer dan 400.000 exemplaren van verkocht zijn. Er is nog iets dat voor veel vaart en spanning zorgt, en dat is het element van de wedloop. Het boek begint in 44 v. Chr., op 7 maart. In Modena weet men, in kringen van Caesar-getrouwen, dat er in Rome, enkele honderden kilometers verderop, een samenzwering tegen Caesar wordt beraamd. Dat zet een hele boodschappermachinerie in werking. Het codebericht luidt: ‘De adelaar is in gevaar’. Die adelaar is Caesar. Het bericht moet zo snel mogelijk naar Rome.

Daarvoor wordt Publius Sextius ingezet: een grote, sterke, onverzettelijke, hondstrouwe centurio. Zijn ijltocht is een meeslepend onderdeel van het boek. Het moet natuurlijk snel allemaal, en in het diepste geheim. Paarden worden afgejakkerd. Er wordt vooral ’s nachts gereisd, zonder verlichting, met alle problemen van dien. Er zijn enge dieren. Er zijn slechte wegen, ravijnen, donkere bossen. En, zoals het hoort in spannende boeken, het weer werkt ook niet erg mee. Soms wordt er even een uurtje gerust. Soms wordt er een herberg aangedaan, maar daar is eigenlijk niemand te vertrouwen, dus gaat het na een snelle maaltijd snel weer verder. Ik word er, nu ik het opschrijf, weer helemaal opgejaagd van.

De berichten over Publius Sextius worden afgewisseld met berichten over twee andere ijlboden die, met het oog op de risicospreiding, met hetzelfde bericht op pad zijn gestuurd, maar via andere wegen. Intussen zit de vijand ook niet stil. De tegenstanders van Caesar proberen de koeriers te dwarsbomen of, nog beter, te doden. En ze proberen valse berichten in omloop te brengen. Onderweg voegt zich ook nog een ex-soldaat in de wedloop. Hij lijdt aan wat wordt genoemd ‘een soort wraakdelirium’. Hij heeft, vanwege een voorval in een eerdere slag, nog een rekening te vereffenen met onze Publius Sextius. Wij, lezers van het boek, vinden dat hij hinderlijk in de weg loopt, maar daar heeft hij zo te zien geen boodschap aan.

Het gaat allemaal snel en het is allemaal spannend, met vechtpartijen, ontsnappingen en omkopingen. Een van de vijanden heet Ratje (‘met een paar gele haren op zijn bovenlip’). Hij weet een stuk van de route af te snijden via een geheime, woest kolkende, ondergrondse rivier. Als je de beschrijving van zijn levensgevaarlijke zwemtocht leest kom je zelf ook onder de blauwe plekken te zitten.

Er zijn meer van die geheimzinnige personages met bijnamen. Ik noem ‘Nevel’ (hij heeft geen gezicht, alleen maar een stem) en ‘Kuikentje’: een schriel kereltje, ‘met een eeuwigvragende blik’, die dagen en nachten achter elkaar blijkt te kunnen hardlopen. Er zit veel sfeer in het boek. De jacht, de nacht, de eenzaamheid, de onzekerheid. De romantiek van de seinstations waar met vuur en een grote bronzen schijf berichten snel over grote afstand konden worden verzonden – sneller dan Kuikentje rennen kan.

Al deze landelijke scènes worden steeds doorsneden met scènes die zich in Rome afspelen. Daar vinden we Caesar, die zich zorgen maakt over zijn gezondheid. Hij heeft een epileptische aanval gehad. Zijn vrouw heeft een boze droom gehad. De ingewandenlezer heeft slecht nieuws gelezen in de ingewanden van het offerdier. Zijn het allemaal slechte voortekenen?

Zijn vertrouwelingen zijn er niet gerust op. Maar zijn tegenstanders ook niet. En zijn halve vrienden evenmin. Brutus, Marcus Antonius, Cleopatra en Cicero komen voorbij. In hun gesprekken en gedachten wordt geleidelijk het grote politieke conflict uitgetekend. Is Caesar op zoek naar het koningschap? Naar de alleenheerschappij? Of is dat alleen maar wat zijn tegenstanders vrezen? Of zijn het valse geruchten? Of is dat misschien juist wel de enige manier om de republiek te redden?

Alle standpunten komen aan bod. Zo kunnen we ons zelf ook een mening vormen. Ook hier wordt het al gauw spannend, met geheime briefjes in kleine kokertjes, vermommingen, codewoorden en afluistersessies in de bezemkast. Wie weet wat van wie? En ook hier voegt zich al snel het element van de wedloop in het verhaal, zeker als de samenzweerders hebben besloten dat Caesar uit de weg geruimd moet worden en dat dat op de iden van maart moet gebeuren. Dan wordt de druk overal opgevoerd, ook bij de lezer. Gaan de ijlboden Caesar nog op tijd bereiken?

Het is knap dat Manfredi al die bewegingen op het schaakbord van zijn roman goed in de hand houdt. Zo, met al die wisselende belangen, moet het in de werkelijkheid ook ongeveer zijn toegegaan. Ik moet wel zeggen dat dit multiperspectief ten koste gaat van de karaktertekening. Het gaat er soms wel erg schematisch aan toe. De dialogen zijn wat stijfjes. De adelaar is een roman, maar niet van een echte romanschrijver.

Het einde is bekend. De machtigste man ter wereld wordt in de senaat voor onze ogen vermoord. En allen die hem te hulp hadden willen schieten, komen te laat. Misschien had De adelaar beter ‘De wedloop’ kunnen heten. Of ‘Het telaat’. Het waarschuwingsbriefje van Artemidorus wordt net niet meer gelezen. De boot van Publius Sextius legt net te laat aan. IJlbode Rufus bereikt net te laat de wisselplaats, dicht bij Rome. Als hij zijn geheime boodschap overhandigt, kijkt de dienstdoende soldaat hem glazig aan. Wij weten wat hij weet. Rufus weet dat dan nog niet. Het is een droevig moment. Rufus hijgt: ‘De adelaar is in gevaar!’ De soldaat antwoordt dof: ‘De adelaar is dood.’