‘Ik haat sunni-shi’a-gedoe in Bahrein’

De shi’itische opstand in Bahrein heeft niets van doen met democratisering en ‘Arabische Lente’, zeggen vijf vrouwelijke parlementariërs.

Bahreinse oproerpolitie vuurt traangas af om een einde te maken aan een shi’itisch protest, gisteren in het dorp Sharaka, tegen de dood van een betoger bij een eerdere demonstratie. Foto Reuters

Vijf vrouwelijke parlementsleden uit Bahrein willen dit wel graag helder hebben: de aanhoudende shi’itische protesten in de kleine Arabische Golfstaat hebben niets te maken met de ‘Arabische Lente’.

„Het is compleet anders”, zegt Bahya Jawad al-Jishi, tweede vicevoorzitter van de Shura, het benoemde hogerhuis van het Bahreinse parlement. Zelf is ze shi’itisch, en getrouwd met een sunniet. „Ik stel me altijd voor als burger van Bahrein”, zegt ze. „Ik haat dat sunni-shi’a-gedoe. Dat is iets heel nieuws voor Bahrein.”

„En voor u een vraag stelt, wil ik graag iets verduidelijken”, zegt Jishi. „We associëren onszelf niet met de Arabische Lente. Totaal niet. Want wat er in Bahrein gebeurt heeft niets te maken met de ontwikkelingen in andere Arabische landen. Het is geen lente.”

Waarom niet?

„Het is een opstand die in onlusten is ontaard. Het is maar één groep die meedoet, niet alle shi’ieten. Het is geïnstigeerd door Iran. Overal waar shi’ieten leven in de Arabische wereld zie je Iraanse inmenging.”

De parlementsleden uit Bahrein, allemaal vrouwen, sunnitisch, shi’itisch en christelijk, met en zonder hoofddoek, waren vorige week in Den Haag aan het eind van een bezoek aan Europa dat niet toevallig op 8 maart, vrouwendag, begon.

Hun trip was bedoeld om een einde te maken aan het „misverstand” hier in het Westen over de omstandigheden van vrouwen in hun land. ,,We hebben dezelfde rechten als mannen”, zegt Hala Ramzi Fayiz Qurisa, eveneens lid van de Shura, lid van de kleine christelijke minderheid, in een vraaggesprek met de delegatie. „We hebben ambassadeurs, artsen en ministers.”

Het verhaal van de parlementsleden over de protestbeweging staat haaks op dat van de shi’itische oppositie in Bahrein en onderstreept daarmee hoe uitzichtloos de toestand is.

Shi’ieten protesteren tegen sociaal-economische achterstelling en werkloosheid en eisen democratische hervormingen om zo hun omstandigheden te kunnen verbeteren.

De delegatie, die de – grotendeels sunnitische – elite vertegenwoordigt, erkent dat Bahrein geen democratisch paradijs is, maar zegt dat er veel is verbeterd en dat verdere hervormingen in het parlement moeten worden afgedwongen. Niet op straat.

En hoe kúnnen de shi’ieten zeggen dat ze worden gemarginaliseerd, roept Qurisa uit. Shi’ieten zijn overal vertegenwoordigd, zegt ze. Natuurlijk is er werkloosheid, maar die is niet groot en blijft niet tot shi’ieten beperkt. „Je godsdienst heeft geen invloed op werk”, onderstreept Jishi. „We praten niet eens over shi’ieten en sunnieten in de Shura.”

Werkloosheid is een mentaliteitsprobleem, voegt ze eraan toe. „Veel jonge mensen willen een bureau en een kantoor. Daarom hebben we zoveel gastarbeiders. Bahreini’s moeten hun plaats innemen. Niet iedereen kan een kantoor hebben. Maak je opleiding dan af!”

Ook sunnieten hebben te maken met huisvestingsproblemen. „Maar weet je wat het verschil is: de sunnieten klagen niet.”

„Aan de eerste demonstraties, vorig jaar februari, namen zowel shi’ieten als sunnieten deel”, zegt Ebtisam Abdul Rahman Hejres, sunnitisch, lid van de Raad van Vertegenwoordigers, het gekozen deel van het parlement. De betogers begonnen met legitieme eisen, huisvesting, betere gezondheidszorg. „Iedereen was het met hen eens”, zegt de delegatie in koor.

Maar de oppositie sloeg een andere weg in, en rellen begonnen. „Je gaat toch niet je land verwoesten om je eisen ingewilligd te krijgen?” vraagt Qurisa. Jishi: „De sunnieten trokken zich terug, en nu staat de rest alleen. En waarom? Omdat ze nu illegale eisen verwoorden: de val van het bewind en omvorming van het land in een islamitische republiek, een replica van Iran. Niemand wil nog een Iran! Eén Iran is genoeg.”

De grootste shi’itische partij, Wefaq, ontkent dat ze uit is op de val van de monarchie, maar de delegatie gelooft er niets van. „O mijn God. De demonstranten passeren mijn huis, ik zie hen”, zegt Jishi. „Hun eerste eis is ‘weg met Hamad!’, de koning.” Sawsan Taqawi, lid van de Raad van Vertegenwoordigers, shi’itisch en getrouwd met een sunniet, vult haar aan: „Als Wefaq niet uit is op de val van de koning, had ze dat eerder duidelijk moeten maken. Nu zeggen ze het wel, na een jaar van rellen, maar nu is de schade al aangericht. Ze hebben de maatschappij verscheurd.” Jishi: „Nu is het zij en wij.”

De Saoedische troepen die een jaar geleden naar Bahrein zijn gekomen, zijn er niet om de protesten te onderdrukken. „En het belangrijkste is”, onderstreept Jishi, dat „ze kwamen op verzoek van de Bahreinse regering om de olie-installaties te beschermen. Het zijn troepen van Peninsula Shield, de snelle interventiemacht van de Golf, het is geen Saoedische legereenheid. We hebben een veiligheidsakkoord met de andere landen van de Samenwerkingsraad van de Golf. Als er een gevaar dreigt voor een lidstaat, komen de Golftroepen helpen.”

Wat was het gevaar? „Buitenlandse inmenging.”

Hoe moet het nu verder? „Een dialoog met alle partijen”, zegt Qurisa. Jishi: „De oppositie heeft al vier verzoeken tot een dialoog afgewezen. Dus ik hoop dat ze op een gegeven moment bij zinnen komt en het land behoedt voor chaos.”