Hoe verteerbaar was en is Salman Rushdies debuut?

Salman Rushdie: Grimus. Vert. Karina v. Santen, Martine Vosmaer en Patricia Piolon. Contact, 350 blz. € 24,95 *

‘Vergilius Jones, een man zonder vrienden en met een tong die iets te groot was voor zijn mond, daalde op dinsdagochtend graag het klifpad af.’ Met deze mooie zin begon in 1975 het schrijverschap van Salman Rushdie. Het is dan ook zo’n beetje de enige zin die te pruimen is in zijn debuutroman Grimus. Desalniettemin vond de Nederlandse uitgever het bijna 40 jaar later kennelijk tijd voor een vertaling.

Grimus is een overambitieus boek waarin het de bedoeling is dat de lezer gaat nadenken over wat er gebeurt wanneer een samenleving afgesloten raakt van de rest van de wereld. Machtsmisbruik en ronddraaien in een cirkel zijn dan het gevolg. Het blijkt ook nog eens een wereld te zijn waarin de mensen lelijk zijn, zoals Vergilius Jones die zo vet is dat hij tijdens het bedrijven van de liefde de vrouw – die, toegegeven, wel erg mager is en bovendien gebocheld – in kwestie bijna verstikt in zijn vet.

Maar dat terzijde, net als deze Vergilius. Het verhaal gaat namelijk om de zoektocht van de indiaan Wiekende Arend. Deze jongeman, wél aantrekkelijk, drinkt van een elixer waardoor hij onsterfelijk is. Maar liefst 777 jaar, 7 maanden en 7 dagen dobbert hij de wereld af met een boot die kennelijk gedoopt is met hetzelfde elixer, want van enige slijtage aan het vaartuig is nergens sprake.

Deze Wiekende Arend gaat op zoek naar zijn onsterfelijke zuster en naar de mogelijkheid om zelf ouder te worden. Hij komt na die 777 etc. jaar terecht op een eiland waar mensen wonen die kunnen kiezen voor het al dan niet onsterfelijk zijn. Dit eiland, in feite een berg, wordt bestuurd door Grimus, een kwade halfgod, met zijn Stenen Roos.

Om maar meteen te zeggen hoe het afloopt: zoals te verwachten moet Wiekende Arend die berg beklimmen, initiaties ondergaan waarbij hij allemaal sciencefictionachtige dimensies door moet en komt hij in aanraking met wezens die zijn bewustzijn proberen te beheersen.

Allemaal gedoe natuurlijk, gevechten en pogingen tot moordpartijen – een wat merkwaardige onderneming op het eiland van vooral onsterfelijken – maar uiteindelijk overwint de Wiekende Arend.

De thematiek van Rushdie is in dit boek in latente vorm al aanwezig. Critici, indertijd al niet erg enthousiast over deze roman, zagen er het gevecht in tussen de hindoes (Wiekende Arend) en de moslims (Grimus). Anderen benadrukten de verwarring van een postkoloniale wereld die erin verwerkt was. Uiteraard werden de verwijzingen naar de mythologie door de ambitieuze romanschrijver alom opgemerkt. En het zit er ook allemaal in, net als de magisch-realistische trucjes die Rushdies handelsmerk zouden worden.

Maar dat maakt Grimus met terugwerkende kracht niet beter verteerbaar. Dit is Rushdie op zijn slechtst.