Fens' boeken

Bij familie en vrienden durf je nog wel in de boekenkast te kijken, bij vreemden ben je terughoudender. Zo’n boekenkast biedt een inkijk in iemands ziel. Mijn vreugde was dan ook groot toen vorige week een inventarisatie van de complete, inmiddels uiteengevallen bibliotheek van criticus en schrijver Kees Fens (1929-2008) op internet verscheen. (Zie dbnl.nl van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren).

Dat betekende ongestoord spitten in de tuin van een van Nederlands grootste lezers. Wat had hij gelezen en wat vond hij de moeite waard om te bewaren? Welke patronen tekenen zich af in zijn niet te stillen leeshonger?

Mijn antwoorden zijn voorlopig, ik heb de lijst met duizenden titels vlug gescand, maar er vielen toch al enkele interessante kenmerken op. Ik beperk me daarbij zoveel mogelijk tot de naoorlogse Nederlandstalige literatuur.

Wat opvalt is de trouw aan de grote namen. Fens bouwde brede verzamelingen op van het proza van Hermans, Reve, Mulisch, Claus, Boon, Haasse en Carmiggelt. Ook Krol, Alberts en Koolhaas zijn royaal vertegenwoordigd, evenals de essayisten Kousbroek en Karel van het Reve. Hij bleef die schrijvers volgen.

Bij andere schrijvers haakt hij af, zoals bij Jeroen Brouwers van wie hij alleen de essaybundels bewaarde. Van Jan Wolkers vond ik maar enkele dichtbundels en een boekje over Texel – geen verhalen en romans. Brakman blijft met één boek. Jacques Hamelink, een vroege ontdekking van hem, houdt meer titels op de plank. Ik Jan Cremer is afwezig, maar wel mogen Cremers Made in USA en Sneeuw voortleven.

Bij de poëzie miste ik zulke belangrijke namen (Campert, Kopland, Lucebert, Herzberg) dat ik moet aannemen dat hij hun werk misschien elders bewaarde of uitgeleend (en nooit meer teruggekregen) had. Hier wel overigens veel werk van Eybers en Vasalis.

In de jaren tachtig tekent zich op het gebied van de fictie een belangrijke ontwikkeling af. Het is alsof het hem niet meer erg bezighoudt, bijna een hele nieuwe schrijversgeneratie lijkt aan zijn aandacht te ontsnappen. Sommige schrijvers die in de jaren zeventig debuteerden (Kellendonk, Matsier) had hij nog redelijk gevolgd, maar voor Van der Heijden en de iets latere Rosenboom (ieder één titel) kan hij dat al niet meer opbrengen, laat staan voor de schrijvers na hen, zoals Grunberg (niet één titel). Hij zit nog wel in de jury die Hotz de P.C. Hooftprijs toekent.

Om de moderne Amerikaanse literatuur lijkt Fens nooit veel gegeven te hebben. Faulkner, Hemingway, Scott Fitzgerald, Bellow, Cheever, Roth, Updike, Malamud – ze ontbreken allemaal. Alleen The Catcher in the Rye van Salinger bleef bewaard. Ik herinner me van Fens een enthousiaste recensie van The Fixer van Malamud, maar hij heeft het boek niet gehouden. Wél de romans van Kafka.

Dit zijn uiteraard constateringen, geen verwijten. Voor iemand met zoveel eruditie kun je alleen maar respect hebben. Wel vraag ik me af of het geen handicap voor hem was als hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde.

Zijn gedaalde interesse voor fictie – hij ging steeds meer geschiedenis, religie en filosofie lezen – komt bij veel ouder wordende mensen voor. Ik las laatst nog van de dichter Jean Pierre Rawie dat hij alle fictie afgezworen heeft.

Zo ver ben ik gelukkig nog niet; het lijkt me een verarming van je leven. Wel merk ik dat fictie van de hoogste kwaliteit moet zijn, wil ze nog overtuigen.