Een schoft vanaf het allereerste begin

Sybe Schaap neemt het Nederlandse ressentimemt onder de loep in een betoog dat filosofisch probeert te zijn, terwijl Tessel Pollmann laat zien waarom Anton Mussert door historici veel te coulant is beoordeeld.

Tessel Pollmann: Mussert & Co. De NSB-Leider en zijn vertrouwelingen. Boom, 304 blz. € 19,90

Al in zijn jaren als ingenieur bij waterstaat was Anton Mussert (1894-1946) een achterbakse man. In Mussert & Co laat de historica Tessel Pollmann (1940) in het hoofdstuk ‘Mussert als waterstaatsingenieur, 1920-1934’ zien dat de oprichter van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) bedrog niet schuwde om zijn carrière te bevorderen.

Pollmanns oordeel over de ingenieur Mussert is dan ook negatiever dan dat van Jan Meyers in zijn biografie Mussert. Een politiek leven uit 1984. Waardeerde Meyers ingenieur Mussert als ‘een man van rusteloze activiteit met betrekking tot vele aspecten die zijn vakgebied raakten – of zijn geliefde vaderland’, volgens Pollmann was hij een intrigant die zich op zijn werk onmogelijk maakte. Hij duldde geen gezag boven zich, loog als het zo uitkwam, overdreef zijn aandeel in waterbouwkundige plannen en maakte zijn collega’s zwart bij het bestuur van de provincie Utrecht. ‘In een politiek neutrale context zouden we Musserts gedrag eigengereid noemen; in de context van zijn fascistische opvattingen kunnen we zijn gedrag ook uitleggen als minachting voor het politieke establishment dat uit de democratie was voortgekomen’, schrijft Pollmann, een ex-Vrij Nederlandjournalist die in 2006 promoveerde op het proefschrift Van Waterstaat tot Wederopbouw, het leven van dr. J.A. Ringers (1885-1965).

Llijfwachten

Mussert & Co is geen biografie. Pollmann heeft namelijk niet alleen hoofdstukken gewijd aan delen van Musserts leven en werk, zoals zijn bezittingen en zijn huwelijk, maar ook aan zijn lijfwachten en naaste medewerkers als Kees van Geelkerken.

Eén hoofdstuk gaat over Gerrit Jan van Deventer, de antinazistische Utrechtse provincie-ambtenaar die Musserts ontslagbrief schreef in 1934, het jaar waarin het ambtenaren werd verboden om lid te zijn van de in 1931 opgerichte NSB. In 1941, een jaar na het begin van de Duitse bezetting, werd Van Deventer gearresteerd, in december 1942 overleed hij in het Duitse concentratiekamp Sachsenhausen. Iemand moet Van Deventer hebben aangegeven bij de Sicherheitsdienst, schrijft Pollmann: ‘Wie was dat? Was het Mussert zelf? Was het Müller, namens Mussert?’

Voor Mussert & Co dook Pollmann in archieven waaruit blijkt dat Mussert eigenaar was van verschillende huizen, waaronder een ‘jodenhuis’ dat door de Duitse bezetters was geconfisqueerd. Ook de bezittingen van Mussert en zijn vrouw en van Kees van Geelkerken en diens echtgenote heeft ze op een rijtje gezet. Mede door afpersing werd Mussert eigenaar van drukkerijen en uitgeverijen. Al met al werd Mussert als Leider van het Nederlandse Volk zeer welgesteld.

Door de nauwkeurige weergave van de bezittingen van Mussert, zijn naaste medewerkers en de NSB leest Mussert & Co soms als een boekhoudkundig verslag, met passende, droge zinnen die vaak met ‘wat betreft’ beginnen. Daarbij komt dat het boek door de uiteenlopende deelonderwerpen – van Musserts huwelijk met zijn 18 jaar oudere tante tot de NSB in Indië – een brokkelig geheel is.

Toch heeft Mussert & Co een duidelijke rode draad. Steeds weer keert Pollmann zich tegen het milde beeld dat historici als Jan Meyers en Lou de Jong van Mussert en zijn NSB schetsten. Mussert had eigenlijk de portee van het nationaal-socialisme niet begrepen, zo is wel over hem beweerd, en uiteindelijk was hij niet meer dan een kleinburgerlijke conservatief en was zijn NSB een typisch Nederlandse, goedmoedige variant van het fascisme. Geweld speelde een ondergeschikte rol.

Pollmann laat overtuigend zien dat er werkelijk niets kleinburgerlijks was aan Mussert. Hij was een leugenaar en een crimineel; hij bedroog zijn vrouw met zijn veel jongere nichtje. Politiek gezien was hij geen conservatief met een overmaat aan vaderlandsliefde maar van begin af aan een overtuigde fascist. Hij had een afkeer van democratie, een heilig geloof in ongelijkheid en in de cultus van het leiderschap.

Verbouwing

Vanaf 1935 was Mussert een antisemitische nationaal-socialist. En de NSB ging met hem mee. Die was volgens Pollmann niet ‘ideologisch leeg’, zoals de historicus Chris van der Heijden eens heeft beweerd, maar een partij, die geweld niet schuwde bij de noodzakelijk geachte verbouwing van de rechtsstaat tot een autoritaire staat met de Leider Mussert als hoofd. Heel veel woorden aan de ideologie van de NSB wijdt Pollmann niet, maar de paar teksten die ze aanhaalt uit NSB-brochures, kranten en tijdschriften zijn genoeg om te bewijzen dat er niets leegs aan was.

Ook met de vergoelijkingen van het gedrag van Musserts naaste medewerkers maakt Pollmann korte metten. Mede-oprichter Van Geelkerken was niet de idealist ‘die zijn ik aan zijn volk had gegeven’, zoals te lezen was in een psychiatrisch rapport over hem in 1945. Ook hij was van begin af aan een overtuigde fascist die later sterk antisemitisch werd en in 1943 tijdens een toespraak zei: ‘De jood is de uitgesproken doodsvijand van het Nationaalsocialisme. En wij kunnen de vijand niet in ons midden dulden.’ En de NSB-burgemeester Müller van Rotterdam was geen ‘geluk voor de stad’, zoals de historicus J.L. van der Pauw hem nog in 2006 noemde. Ook zonder deze antisemiet met sympathie voor de SS was Rotterdam aan het einde van WO II vermoedelijk wel behoed voor verdere vernietiging door de Duitse bezetters, legt Pollmann uit.

Zo moeten alle NSB-kopstukken, over wie ooit wel eens iets goeds is gezegd en geschreven, eraan geloven in Mussert & Co en rest er maar één conclusie: de NSB was een onvervalste nationaal-socialistische partij en de NSB’ers waren echte nazi's.