Een beul die je buurman kan zijn

Een doorsnee Vlaming ontpopt zich in Afrika als een beest. Thuis is hij de tederheid zelve. Een portret om bij te huiveren.

Elvis Peeters: Dinsdag. Podium, 172 blz. €17,50

Elvis Peeters, pseudoniem van het succesvolle Vlaamse schrijversechtpaar Jos Verlooy en Nicole van Bael, blinkt uit in het geloofwaardig karakteriseren van volstrekt gewetenloze mensen. In de roman Wij (2009) draaide het om een groep amorele adolescenten die voor de lol levens van anderen ruïneren. Omdat ze zo jong zijn, kan je nog hopen dat het ooit goed komt met hen. Maar in Peeters’ nieuwe roman Dinsdag is elke hoop op inkeer van de door en door verdorven hoofdpersoon vergeefs. De titel roept associaties op met het toneelstuk Vrijdag van Hugo Claus (1964), en de overeenkomsten zijn dan ook legio. Beide verhalen spelen zich af op één dag en confronteren de lezer met taboes waarover nog altijd angstvallig wordt gezwegen: incest bij Claus en Belgische misdaden in Congo bij Peeters.

Dinsdag is het verhaal van een anonieme Vlaming van ver over de zeventig. Misschien is deze voormalige huursoldaat, die in een buitenwijk van Brussel woont, ’s ochtends een krantje koopt, boodschappen doet en zijn potje kookt, een extreem geval. Maar Peeters weet hem zo gewoontjes neer te zetten, dat iedere Belg van die leeftijd iemand als hij zou kunnen zijn. Gedurende de dinsdag dat we hem volgen in zijn dagelijkse routine, doemt in flarden zijn geschiedenis op. De stem van een scherp observerende alwetende verteller wordt afgewisseld met soms verwarde, dan weer pijnlijk heldere hersenspinsels in ik-vorm.

Theeplantage

Als boerenzoon van achttien nam de op het oog doorsnee jongeman begin jaren vijftig het voortouw in een groepsverkrachting, waarna zijn ouders hem voor straf naar Belgisch Congo stuurden. Daar vergrijpt hij zich op de theeplantage van zijn zus aan de zwarte huishoudster. Vervolgens raakt hij op drift en verkoopt gedurende een jaar of tien zijn louche diensten aan iedereen die ervoor wil betalen: aan Belgische kolonialen die hun opstandige personeel eronder willen houden, na de onafhankelijkheid in 1960 de moordlustige Katangese afscheidingsbeweging van Tsjombe en vervolgens de Simba’s onder de bloeddorstige maoïst Pierre Mulele. Moordpartijen, martelingen en verkrachtingen horen tot zijn dagelijks werk.

Nu, een halve eeuw later, flakkeren tussen het reinigen van zijn kunstgebit en het aardappelschillen door enkele excessen op die we kennen uit geschiedenisboeken. Zo was hij in 1964 betrokken bij het uitmoorden door de Simba’s van missieposten bij Stanleystad. Zonder met zijn ogen te knipperen nam hij als blanke huurling deel aan het verkrachten van nonnen (‘Ik wist dat ik het kon’) en keek toe hoe paters voorafgaande aan hun executie werden gecastreerd. ‘Dit was wat de Simba’s hun macht gaf, dat ze durfden beschikken over deze verloren levens, er niet voor terugdeinsden. De enige manier waarop ik een van hen kon zijn, daardoor wist ik te overleven.’

Overleven is nog steeds de enige bestaansreden van de inmiddels bejaarde ex-huurling, die vrijwel alleen dierlijke behoeftes kent. Vaak denkt hij terug aan de aap die hij aan het begin van zijn moorddadige carrière doodschoot. De ketting met apentanden die hem volgens de Simba’s onsterfelijkheid garandeerde, bewaart hij nog altijd als trofee.

Onder vuur

Wroeging voelt hij niet. Hij was de Universal Soldier uit de in 1965 door Donovan vertolkte protestsong. ‘Ik had niets tegen degenen die ik bevocht. Ik nam het ze niet kwalijk dat ze me onder vuur namen, alleen wilde ik degene zijn die raak schoot. Niemand wist wie tegen wie ten strijd trok, wie welke macht, welk grondgebied of welke belangen betwistte.’

Het weerzinwekkendst aan deze wrede onbenul is zijn opportunisme. Na zijn overgave aan de Blauwhelmen en een korte gevangenisstraf, keert hij eind jaren zestig terug in België, waar hij profiteert van de vrijheden die zijn progressieve generatiegenoten met hun vredesdemonstraties en anti-koloniale manifestaties bevochten hebben. ‘Toen ik terugkwam uit Congo was ik opgetogen dat ik mocht vaststellen dat Europa in snel tempo veranderde, de gouden jaren zestig, de zomers van liefde, de onrust, alles lag voor mij gereed.’

Ondertussen denkt hij nog altijd in dezelfde koloniale, racistische en seksistische termen als toen hij in Congo met medehuurlingen grappen maakte over het uitmoorden en verkrachten van zwarten. ‘We mogen er wel een paar neerleggen, we hebben ook leven geschoten in hun vrouwen, misschien is de eindbalans wel positief.’

In de herfst van zijn leven krijgt hij alsnog twee keer een echte relatie. De eerste geliefde, Erna, sterft aan kanker, de andere, Simone, aan alzheimer. Beiden verzorgt hij – als we op zijn lyrisch beschreven herinneringen moeten afgaan – liefdevol, al smeet hij uit pure machtswellust wel Erna’s kat uit het raam en maltraiteerde hij om dezelfde reden Simones bloembak. Zijn avonturen in Congo heeft hij wijselijk voor de vrouwen verzwegen.

De kracht van de roman zit in het contrast tussen de tedere herinneringen aan het leven met zijn twee achtereenvolgende geliefden – gepresenteerd als een poëtische monologue intérieure – en de zakelijke recapitulatie van de gruwelen in Congo. Juist dankzij deze goed volgehouden stijlfiguur krijgt de beul de menselijke trekken die hem zo doodeng maken. Dinsdag schetst een huiveringwekkend portret van iemand die zomaar je buurman, je eigen man of vader zou kunnen zijn.