De pure kunst van dieren

De natuur selecteert niet alleen op lichamelijke geschiktheid, maar ook op schoonheid, blijkt uit een hallucinerend boek over dierenkunst en een studie naar de wederwaardigheden van de walvis, die van het grootste slachtvee op aarde een troeteldier werd.

HUMPBACK WHALE (Megaptera novaeangliae) BREACHING, SOUTHEAST ALASKA MICHIO HOSHINO

Kunstenaars laten zich inspireren door de natuur, dat is al zo sinds de Steentijd. Maar kunnen we ook zeggen dat de natuur zelf kunst voortbrengt? Het onlangs verschenen boek Survival of the Beautiful. Art Science and Evolution van de Amerikaanse filosoof/musicus David Rothenberg opent met een wandeling in een Australisch bos. De schrijver stuit op een fraai uitziende sculptuur van twijgjes, versierd met blauwe veertjes en plastic bestek van dezelfde kleur. Het gaat om een hoogst artistieke ‘balts-tempel’ van het sober getooide prieelvogelmannetje. Een bevriend bioloog vertelt Rothenberg dat de vogel voor zijn decoratiemateriaal over lijken gaat – bij materiaalschaarste schroomt hij niet om een blauwe vogel dood te snavelen, slechts omwille van de veertjes. Zelfs bij mensen is zo’n moordende artisticiteit zeldzaam. Deze kunstvogel is dan ook een extreme uitzondering. Toch geeft dit dier, zegt Rothenberg, ‘voedsel aan het idee dat kunst in een pure vorm kan worden gemaakt door wezens die in de boom der evolutie ver van ons staan’. Het is dit idee waarop Rothenberg één lijvig essay lang kauwt: kan de natuur schone kunst voortbrengen? Een intrigerende vraag.

In zijn overwegingen in verband met ‘natural selection’ struikelde Charles Darwin over de pauwenstaart. Wat droeg deze bij aan de survival of the fittest? Hij ontwierp een theoretische variant die hij ‘sexual selection’ noemde: de pauw met de mooiste staart krijgt de pauwenhen. Voor de survival is die pronkstaart in de praktijk niet gunstig, de vrouwtjes willen alleen de pauw met de allermooiste verenpracht. Men vindt in de pauwensamenleving dan ook opmerkelijk veel kinderloze vrijgezellen.

Waar Darwin stopte begint Rothenberg zijn boek. Het vrouwtje van de prieelvogel beschikt over gevoel voor schoonheid, net als de pauwhen – daarop kiezen ze hun partner uit. Er moet dus, zo oppert hij, naast natural en sexual selection een esthetic selection bestaan. In Survival of the Beautiful wordt deze mogelijkheid op tal van manieren tegen het licht gehouden. Zo zou het kunnen zijn dat de pauw haar staart toch eerder ontwikkelde als camouflagetechniek, om aan prooidiergebitten te ontkomen. Meteen volgt een van vele fascinerende Rothenberg-uitstapjes. Hij presenteert het werk van de Amerikaanse kunstenaar en natuurvorser Abbott Handerson Thayer (1849-1921), die in 1907 zijn ‘Peacock in the Woods’ schilderde, een kleurige vlekkenverzameling waarin pauw en struikenbloei nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Is de pauwenstaart inderdaad een kwestie van natuurlijke selectie?

Nee, zegt Rothenberg: in de pauwenhabitat komen zulke struiktinten niet voor. Twee jaar later conterfeitte Thayer ‘Male Wood Duck in a Forest Pool’. De vogel is op het schemerachtige doek vrijwel onzichtbaar door de tekening van zijn veren. Ook bij deze wonderschone snatervogel relativeert Rothenberg de natuurlijke selectie-functie: bij helder daglicht zou iedereen de eend direct zien drijven. Exit Thayer zou je zeggen, maar Rothenberg blijft bij hem stilstaan. Thayer ontwierp een theorie die hem de bijnaam ‘vader van de camouflage’ zou opleveren. In 1892 publiceerde hij over ‘schaduwomkering’, die bestaande vormen zou verdoezelen. Bij veel dieren zou de witte buik een kwestie zijn van countershading.

Zes jaar later trachtte hij zijn ideeën in te zetten voor het vaderland, door voor te stellen de Amerikaanse oorlogsschepen volgens de ‘Wet van Thayer’ te schilderen. De oorlog duurde te kort, en ik weet niet of zijn VS-patent No. 715.013 (‘Process of Treating the Outsides of Ships, etc., for Making Them Less Visible’) hem geld heeft gebracht, maar anderen zouden zijn idee realiseren: de Engelsman Wilkinson werd beroemd met zijn in WO I ingezette dazzle-ships. Hier lijken we weer helemaal terug bij Darwins survival of the fittest, maar Rothenberg schakelt terug naar kunst en schoonheid, door te melden dat Picasso in 1915 getuige was van een militaire parade waarin een kanon meereed, dat was beschilderd volgens een kubistisch aandoende, zwart-witte camouflagetechniek (zébrage). Hij riep uit: ‘Dat hebben wij bedacht!’

Dit is een typisch voorbeeld van de intuïtieve essayistiek die David Rothenberg bedrijft in Survival of the Beautiful. Voor wie hem wil volgen – en dat is heel verleidelijk – is schoonheid een essentieel principe van de natuur.

Rothenberg is is hoogleraar in filosofie en muziek aan het New Jersey Institute of Technology, en hield zich jaren bezig met diergeluid als muziek. Hij is de auteur van Why Birds Sing (2005). Het is een merkwaardige kerel, jazzmuzikant in zijn vrije tijd. Op Youtube vinden we een clip waarin hij op een Russische rotskust met behulp van onderwatermicrofoon en -luidspreker een duet speelt met een dolfijnentrio. Sympathiek. Fascinerender vind ik het experiment waarin hij de grafisch vertraagde zang van een nachtegaal naast de evenzeer schematisch weergegeven walvismuziek legt: ze blijken een identiek patroon te bevatten.

Patronen in de natuur vormen een belangrijk onderdeel in Survival of the Beautiful. Zo wordt ruim aandacht besteed aan het werk van de Duitse natuurwetenschapper/kunstenaar Ernst Haeckel, die in zijn uiterst populaire Kunstformen der Natur (1904) de symmetrische, marine schoonheid van bijvoorbeeld de eencellige stralendiertjes verbeeldde. Een interessant geval, Haeckel. De kunstenaar in hem won het van de bioloog. Hoe enthousiast zijn kijkers- en lezerspubliek ook was, zijn picturale overdrijving van de kunstzinnige natuurwonderen maakten hem als spindoctor van de evolutietheorie onbetrouwbaar.

Natuurpatronen in de ‘officiële‘ kunst krijgen bij Rothenberg even veel aandacht. Toen Binet de toegangspoort van de Parijse Wereldtentoonstelling in 1900 ontwierp had hij een van Haeckels straaldiertjes in gedachten. Sinds het ontstaan van de computerwetenschap is het aantal patronen trouwens enorm uitgebreid – denk aan fractals. De bloemkool heeft haar schoonheid aan het zelfvermenigvuldigende fractal-principe te danken, maar Rothenberg ontdekte fractals in de drip-paintings van Jackson Pollock.

Survival of the Beautiful is een meeslepend, hier en daar hallucinerend boek. Je zou het bijna een ideaal essay noemen. Het brengt, voortbordurend op basis van oeroude en nieuwe ideeën, een stroom van eigen associaties bij de lezer op gang. Jammer is dat Rothenberg niet overal de vaart erin houdt. Op die plaatsen zien we de typisch Amerikaanse populair-wetenschapper aan het werk. Herhalingen, onnodig gebabbel , een enkele keer een heel hoofdstuk lang. Jammer ook is dat hij weinig auteurs van vóór Darwin in zijn spel betrekt. Waar bleef bijvoorbeeld de Duitse architect Karl Friedrich Schinkel (1781-1841), die schreef dat een ‘levend’ gebouw de natuurlijke eigenschappen als ‘ein Sprossen’ moest vertonen, ‘ein Crystallisiren, ein Aufschiessen, ein Drängen ein Spalten, ein Fügen, ein Drücken, Biegen, Tragen, Setzen, Schmiegen, Verbinden, Halten, ein Liegen und Ruhen’? Leest Rothenberg misschien geen Duits? Hij had zijn toevlucht kunnen nemen tot het briljante proefschrift Organicism in nineteenth-century architecture (1994) van de Nederlandse Caroline van Eck, waar naast Schinkel op natuurlijk takkenwerk in neogotische kerkplafonds wordt gewezen.

Aan de overtuigingskracht van Rothenbergs boek doen deze omissies nauwelijks iets af. Mensenkunst en de kunstzinnigheid van de ons omringende natuur liggen helemaal niet zover uit elkaar, en schoonheid maakt een onmisbaar bestanddeel van de evolutie uit. Je moet het willen en kunnen zien, maar dat laatste valt te leren - Survival of the Beautiful is daar enorm behulpzaam bij.

Het is zoals Multatuli eens zei: ‘Waar de fantasie aanvankelijk kristal meent te zien, vindt ze schimmel en vuil. Maar na wat oefening in waarnemen blijkt vaak dat er juist kristallen zijn in dat vuil, en dat de schimmel een prachtig woud is van bloembomen.’ Zo vindt men poëzie in de schimmel, en schone kunst in de natuur: goed oefenen.

David Rothenberg: Survival of the Beautiful. Art Science and Evolution. Bloomsbury, 311 blz. €39,90