De beul kan je buurman zijn

Een doorsnee Vlaming ontpopt zich in Afrika tot een beest. Thuis is hij de tederheid zelve. Een portret om bij te huiveren.

Recensent

Elvis Peeters blinkt uit in het geloofwaardig karakteriseren van volstrekt gewetenloze mensen. In de roman Wij (2009) draaide het om een groep amorele adolescenten die voor de lol levens van anderen ruïneren. Omdat ze zo jong zijn, kun je nog hopen dat het ooit goed komt met hen. Maar in Peeters’ nieuwe roman Dinsdag is elke hoop op inkeer van de door en door verdorven hoofdpersoon vergeefs.

Dinsdag is het verhaal van een anonieme Vlaming van ver over de zeventig. Misschien is deze voormalige huursoldaat, die in een buitenwijk van Brussel woont, ’s ochtends een krantje koopt, boodschappen doet en zijn potje kookt, een extreem geval. Maar Peeters weet hem zo gewoontjes neer te zetten, dat iedere Belg van die leeftijd iemand als hij kan zijn. Gedurende de dinsdag dat we hem volgen in zijn dagelijkse routine, doemt in flarden zijn geschiedenis op.

Als boerenzoon nam de op het oog doorsnee jongeman begin jaren vijftig het voortouw in een groepsverkrachting, waarna zijn ouders hem voor straf naar Belgisch Congo stuurden. Daar vergrijpt hij zich op de theeplantage van zijn zus aan de zwarte huishoudster. Vervolgens raakt hij op drift en verkoopt voor een jaar of tien zijn louche diensten aan iedereen die ervoor wil betalen: aan kolonialen die hun opstandige personeel eronder willen houden na de onafhankelijkheid in 1960, aan de moordlustige Katangese afscheidingsbeweging van Tsjombe en vervolgens de Simba’s onder leiding van de bloeddorstige maoïst Pierre Mulele.

Een halve eeuw later flakkeren enkele excessen op. Zo nam hij als blanke huurling deel aan het verkrachten van nonnen en keek toe hoe paters voor hun executie werden gecastreerd. ‘Dit was wat de Simba’s hun macht gaf, dat ze durfden beschikken over deze verloren levens, er niet voor terugdeinsden. De enige manier waarop ik een van hen kon zijn, daardoor wist ik te overleven.’

Het weerzinwekkendst aan deze wrede onbenul is zijn opportunisme. Na zijn overgave aan de blauwhelmen en een korte gevangenisstraf, keert hij eind jaren zestig terug in België, waar hij profiteert van de vrijheden die zijn progressieve generatiegenoten met hun vredesdemonstraties en anti-koloniale manifestaties bevochten hebben. ‘Toen ik terugkwam uit Congo was ik opgetogen dat ik mocht vaststellen dat Europa in snel tempo veranderde, de gouden jaren zestig, de zomers van liefde, de onrust, alles lag voor mij gereed.’

Maar ondertussen denkt hij nog altijd in dezelfde koloniale, racistische en seksistische termen als toen hij in Congo met medehuurlingen grappen maakte over het uitmoorden en verkrachten van zwarten.

Twee keer krijgt de man een relatie. De eerste geliefde sterft aan kanker, de andere aan alzheimer. Beiden verzorgt hij – als we op zijn lyrisch beschreven herinneringen moeten afgaan – liefdevol. Zijn avonturen in Congo heeft hij wijselijk voor de vrouwen verzwegen. In het contrast tussen de tedere herinneringen aan het leven met zijn twee achtereenvolgende geliefden en de zakelijke recapitulatie van de gruwelen in Congo zit de kracht van de roman: de menselijke trekken van beul maken hem juist zo doodeng. Dinsdag schetst een huiveringwekkend portret van iemand die je buurman, je eigen man of vader zou kunnen zijn.

Elvis Peeters: Dinsdag. Podium, 172 blz. €17,50