Dank u voor de diagnose, waar is het recept?

Zo’n 100.000 mensen staan op 9 mei 2002 in de rij voor de Laurentius kathedraal in Rotterdam waar Pim Fortuyn ligt opgebaard Foto Peter Hilz

Sybe Schaap: Het rancuneuze gif. Damon, 286 blz. € 19,90

Filosofen zijn geen dokters, maar dat neemt niet weg dat sommige van hen geregeld een diagnose stellen en ook graag een recept uitschrijven.

Zo meende de latere Wittgenstein dat filosofie een therapeutische taak had en vragen moest behandelen ‘als een ziekte’. Maar het ging hem daarbij om bij uitstek filosofische vragen, die volgens hem voortkwamen uit begripsmatige verwarring, niet om het diagnostiseren van een zieke samenleving of het voorschrijven van een recept aan de bevolking.

Juist zulke laatste recepten vinden in Nederland gretig aftrek, zoals onder meer het publiekssucces van de culturele diagnostiek van Andreas Kinneging (Geografie van goed en kwaad) en Ad Verbrugge (Tijd van onbehagen) laat zien. Blijkbaar wordt van filosofen nog altijd een dieper inzicht verwacht in de actualiteit.

VVD-senator Sybe Schaap staat volop in die traditie met Het rancuneuze gif, een boek over het destructieve ‘ressentiment’ dat volgens hem de publieke discussie in Nederland vergiftigt. En niet alleen die. De obsessieve afkeer van een gemythologiseerde vijand en het wentelen in verongelijkt slachtofferschap – kenmerken van ressentiment – zijn volgens hem nadrukkelijk aanwezig in de hele moderniteit, van marxisme en nazisme tot rechts populisme, dieren- en milieuactivisme en zelfs het radicale feminisme.

Schaap heeft in de publiciteit rond zijn boek benadrukt dat hij een filosofisch werk schreef, geen politiek pamflet. Maar wie dit boek leest, kan er niet omheen dat het de auteur toch ook om de actualiteit gaat. De apodictische eerste zin luidt: ‘Het valt moeilijk te negeren: de Nederlander is boos’. En dat is niet de Nederlander van ooit, maar die van nu.

In zijn bespreking van het oververhitte ‘debat’ in Nederland maakt Schaap vervolgens relevante, zij het weinig originele opmerkingen. Bijvoorbeeld over vrije meningsuiting: ‘Ooit moest dit grondrecht eigen overtuigingen en uitingen beschermen tegen de gevreesde intolerantie van derden: er was sprake van een negatieve vrijheid. Nu ondergaat dit recht een positieve draai en mag in vrijheid alles worden geventileerd wat er aan innerlijke afkeer en weerzin opwelt.’ Een goed punt, al zijn die twee functies, bescherming van de burger tegen de staat én stortkoker voor ressentiment, lastig te scheiden: wat stelt de senator voor?

Hij bepleit het ‘matigen van de toon’, en stelt vast dat dit niet staat tegenover discussie over de inhoud, zoals luidruchtige liefhebbers van onmatigheid beweren – maar die juist mogelijk maakt. Die pointe is terecht: matigen van de toon maakt juist een, waar nodig keiharde, discussie over de inhoud mogelijk. Alleen, wie liever zijn ongenoegen blijft uitschreeuwen heeft daar natuurlijk geen boodschap aan.

Schaap heeft gelukkig ook meer oog voor de ambivalenties van de moderniteit dan zijn partijgenoot Bolkestein in diens boek De intellectuele verleiding. Volgens Bolkestein zijn fascisme en marxisme romantisch geïnspireerde verzetsbewegingen tegen de moderniteit, die hij identificeert met liberale beginselen. Ook Schaap heeft niets op met de Romantiek, maar ziet die mede als bron van de moderniteit: de bakermat van het zichzelf scheppende individu.

Daardoor slaagt hij erin ideologieën en bewegingen die hij als liberaal afwijst – van marxisme en nazisme tot het radicalisme van de jaren zestig en het populisme van de PVV – niettemin onder ogen te zien als moderne verschijnselen, en niet af te doen als louter aberraties of achterhoedegevechten.

Bovendien kan hij zo laten zien hoezeer het rancuneuze rechts-populisme van Martin Bosma (in diens De schijn-élite van de valse munters) het spiegelbeeld is van het linkse radicalisme van de jaren zeventig, waar Bosma zelf van gruwt. Schaap ziet een vergelijkbare obsessie met groteske vijandbeelden, afkeer van het establishment dat het volk onderdrukt, en fascinatie met complottheorieën (de vermeende samenzwering van linkse elite en moslims). Ook die parallel is terecht, inclusief het gebruikt van agitatie en propaganda.

Maar dan beginnen de problemen, en die zijn helaas niet mals.

Want Schaap schreef wel een filosofisch boek, maar wat voor filosofie is dit? Schaap leunt zwaar op Nietzsche en op de continentale filosofie, waarvan de moralistische variant aan Nederlandse universiteiten lange tijd dominant was. Het gaat hem om het duiden van maatschappelijke verschijnselen, niet om het analyseren of oplossen van filosofische of wetenschappelijke problemen.

Bovendien schrijft hij in een onbekommerd professorale stijl, doordrenkt van een besef van vanzelfsprekende autoriteit. Dat geeft zijn boek een verbluffend archaïsch karakter. Hier spreekt een denker die doceert in plaats van argumenteert - met anderen of tegen zichzelf in.

Zo poneert Schaap dat kennis betrekking heeft op ‘een gegeven stand van zaken’. ‘Kennis moet volgend, moet dus volgzaam zijn.’

Hij ziet daarin een tegengif tegen het ressentiment dat wars is van zoiets hinderlijks als feiten. Bovendien sluit dit aan bij het tragische levensgevoel dat hij aanprijst: de acceptatie van een voorgegeven werkelijkheid, in plaats van het najagen van utopieën en heilloze wensdromen.

Nu kan dat best aanbevelenswaardig zijn. Maar je hoeft geen doorgedraaide postmodernist te zijn om Schaaps opvatting van kennis hopeloos achterhaald te vinden. Kennis is een samenspel van empirie en menselijke cognitieve vermogens, niet het aflezen van eeuwige voorschriften. Later vult hij nog wel aan dat kennis ‘door en door antropomorf’ is – we interpreteren het gegevene immers – maar dat blijft een kwestie van iets ‘toevoegen’ aan de ‘feiten’ .

Ernstiger voor de overtuigingskracht van zijn betoog is dat Schaap zijn bespreking van het ressentiment geheel en al giet in pathologische en medische termen: het gaat om een ‘gif’ en een ‘ziekelijk’ verschijnsel. Er is ‘genezing’ mogelijk door ons te wenden tot de klassieke Grieken en Romeinen, die met hun gnothi seauton en amor fati een nuchtere, niet door wensdenken of rancune getroebleerde verhouding tot de werkelijkheid koesterden. En natuurlijk tot Nietzsche, wiens ‘sterke wil’ zelfbeheersing kan leren tegenover de lokroep van de rancune.

Maar ziektemetaforen zijn dubieus filosofisch gereedschap. Schaaps veelomvattende diagnose roept bovendien de vraag op, of er wel radicale culturele en maatschappelijke kritiek mogelijk is die niet rancuneus is – zoals de zijne, bijvoorbeeld.

Schaap gaat evenmin in op de mogelijkheid van een wisselwerking tussen radicale kritiek en gematigder denken. Zou er in een samenleving die vrij is van ressentiment nog wel politiek nodig zijn, behalve als technocratische logistiek? Anders i s het de vraag waarin Schaaps pleidooi voor een gezonde democratische samenleving verschilt van de nostalgie naar een conflictvrije, wrijvingsloze gemeenschap die hij bij anderen zo hartgrondig afwijst.

Tegen het einde van zijn boek erkent hij dat ‘competitie en zelfs vijandschap’ ook een positieve kant hebben: een scheppend potentieel. Maar hoe zich dat verhoudt tot zijn kritiek op het ressentiment – en tot de vraag of destructieve vormen van vijandschap soms niet onvermijdelijk of zelfs geboden zijn – blijft conceptueel onduidelijk.

Uiteindelijk is dat het gevolg van Schaaps metafysische uitvergroting van het begrip ressentiment. Rancuneuze gevoelens zijn volgens hem deel van de menselijke ‘psycho-fysiologische geaardheid’, wat dat ook moge zijn, maar hij stelt dat voor als een oerkracht, vergelijkbaar met de alomvattende Wil van Schopenhauer, die alleen kan worden ontkracht door ‘zelfoverwinning’ en ‘positieve waardering van het noodlot’.

Het boek eindigt dan ook met een zucht, en niet met een klap. Genezing blijkt een persoonlijke aangelegenheid. Schaap verwijst nog wel naar de Zuid-Afrikaanse waarheidscommissie, maar wat de Nederlandse samenleving of politiek moet doen, komen we niet te weten. ‘Het begin van de therapie is een preventieve maatregel’, meent hij: een mens moet zichzelf immuniseren tegen de lokroep van de rancune. Maar dat suggereert dat alleen wie nooit ziek was, kan worden genezen.

Een povere conclusie voor een dokter – en ook voor een filosoof.