Castreren in het geheim, dat deden meer directeuren

Henk Heithuis werd in 1956 gecastreerd. Castratie leek een middel tegen vele kwalen, zoals exhibitionisme en masturbatie. Het werd regelmatig toegepast.

Directeur A. Severijnen van het rooms-katholieke gesticht Huize Padua in Boekel was openhartig in de vergadering van directeuren van krankzinnigen- en zwakzinnigengestichten in Noord-Brabant en Limburg. Als hij een jongen wilde laten castreren, dan deed hij dat heimelijk. „Komt de familie toch op de hoogte van de plannen en weigert de familie vervolgens, dan gaat de operatie niet door.”

Severijnen liet voorjaar 1956 ook misbruikslachtoffer Henk Heithuis castreren. Heithuis, over wie deze krant zaterdag berichtte, had een paar dagen eerder bij de politie aangifte gedaan van seksueel misbruik door broeders in een internaat in Harreveld. Na de aangifte leverden agenten Henk Heithuis af bij Huize Padua, om als „homoseksueel” en „psychopaat” te worden gecastreerd. Severijnen castreerde dus zonder toestemming van de familie. Dat deden meer directeuren van inrichtingen, katholiek en niet-katholiek. Dat blijkt uit de notulen van de vergadering, bewaard door het Nationaal Archief.

De directeuren waren die maandag 5 juni 1950 bijeen in het gesticht Coudewater in Rosmalen. Ook inspecteur Joannes Koenen van het Staatstoezicht op Krankzinnigen en Krankzinnigengestichten was erbij. De notulen vermelden niet dat de inspecteur protesteerde tegen het heimelijk castreren.

Twee jaar eerder had inspecteur Koenen de directeuren in een vergadering nog gemaand vooraf toestemming van de ouders te vragen voor slaapkuren, elektroshocks en castraties. Vooral ter bescherming van de artsen zelf, want de wet was niet helemaal helder over het verschil tussen behandeling en mishandeling.

In 1950 werd het thema „onderste leeftijdsgrens voor castraties” besproken. Directeur Woltring van het gesticht Voorburg in Vught verdedigde het castreren van minderjarigen, mits de patiënt volgroeid was. „Dat betekent tijdwinst.”

Severijnen hield zijn collega’s voor dat Huize Padua „niet tot castratie over gaat als de patiënt jonger is dan 21 jaar”. De praktijk was anders, zo leert het geval van Henk Heithuis. Hij was in 1956 minderjarig toen hij als patiënt van Severijnen op de operatietafel belandde.

In dezelfde vergadering gaf Severijnen enkele voorbeelden van „bijzondere gevallen” uit zijn praktijk. Hoe een „idioot” steeds stukjes van oren bij andere patiënten afbeet, last had van exhibitionisme en aan „onanie” (masturbatie) deed. Severijnen: „Na castratie niet meer bijten en geen seksuele perversiteiten.”

Duidelijk wordt uit de notulen van 1947 tot 1958 dat castratie een middel tegen vele kwalen leek, en regelmatig werd toegepast. Vaak aanwezig in de vergaderingen was A. Palies, inspecteur en eerder gestichtsarts. Hij was het die de katholieke minister van justitie Goseling in 1938 over de streep had getrokken om toestemming te geven voor chirurgische castraties van verpleegden die tbr (ter beschikking van de regering) hadden. Uit wetenschappelijk onderzoek is inmiddels bekend dat zo’n vierhonderd ‘justitiële castraties’ zijn uitgevoerd tot 1969. Het waren allemaal tbr-gevallen.

Patiënten die voor rekening van het ministerie van Justitie verpleegd werden, mochten niet zomaar worden gecastreerd, staat in de notulen. Daarvoor moest ‘Den Haag’ toestemming geven. De directeuren waren het daar niet mee eens. „Het betreft immers een medische aangelegenheid.”

Naast het ‘justitiële circuit’ was er een ‘vrijwillig circuit’ in gestichten en ziekenhuizen. De vrijwilligheid was relatief, omdat patiënten onder druk stonden en familie niet altijd wist wat er gebeurde.

Het totaal aantal ‘vrijwillige’ castraties is niet bekend. Het moeten er honderden zijn, onder wie homoseksuelen. Uit de vergadernotulen blijkt dat tot 1948 alleen al in Huize Padua bij twintig patiënten de testikels weggesneden zijn. Severijnen: „Goed resultaat bij iets meer dan de helft der gevallen.” Bij vrouwelijke patiënten werden de eierstokken verwijderd. Maar daar had men „minder ervaring” mee.

De notulen maken duidelijk dat het belangrijk was om een handtekening van de patiënt te krijgen voorafgaand aan de operatie. „Die heeft enige betekenis”, aldus een van de directeuren, „Patiënt kan namelijk later niet vertellen, dat hij er niets van af wist.”

Ook op dit punt was het beleid buigzaam, bleek bij de castratie van Henk Heithuis. Zijn geval komt voor in de notulen van de vergadering van 9 oktober 1957. Severijnen deed mededelingen over moeilijkheden na een „therapeutische castratie”. Hij had een aangetekende brief ontvangen van de advocaat van Heithuis. Die vond dat Severijnen „onjuist” had gehandeld en eiste een schadevergoeding.

De notulen melden dat Severijnen door zijn collega’s gevraagd werd of hij Heithuis vóór de operatie een verklaring had laten ondertekenen, waaruit bleek dat hij gecastreerd wilde worden. Severijnen moest toegeven dat dit niet was gebeurd. Het agendapunt eindigt met de opmerking: „Er wordt opgemerkt dat bepaalde gevallen van homoseksualiteit goed reageren op castratie, doch ook het omgekeerde wordt gezien.”

De vergadering daarop kon Severijnen zijn collega’s mededelen dat hij niets meer vernomen had van deze zaak. „Alleen heeft de patiënt hem opgebeld om geld te sturen, waarop hij niet is ingegaan.” Een paar maanden later kwam Henk Heithuis bij een auto-ongeluk om het leven en verdween zijn zaak definitief van de agenda.

Reacties: misbruik@nrc.nl