Brieven boeken

Springer & Voskuil

Interessant aan de bespreking door Elsbeth Etty van F. Springers ‘postume debuut’ (Boeken, 16.03.12) is de vergelijking met het werk van J.J. Voskuil en Etty’s opmerking over ironie. ‘Anders dan Voskuil geloofde Springer heilig in zijn werk, waardoor iedere zelfrelativering ontbreekt’, aldus Etty. Maar zo zit het niet. Ook Voskuil geloofde heilig in zijn werk, veel meer nog dan Springer waarschijnlijk ooit gedaan heeft. Het blijkt zonneklaar uit de tientallen publicaties die hij tijdens zijn meer dan 30-jarige loopbaan als volkskundige publiceerde en waarin geen spoor van zelfrelativering te vinden is. Pas toen Voskuil het bureau achter zich gelaten had en het niet meer zo nodig hoefde slaagde hij er enigszins in zijn bloedige ernst af te leggen. Daar was hij in zijn debuut, Bij nader inzien (1962) nog lang niet aan toe: dat boek – hoe imposant in veel opzichten ook – ontbeert node enige vorm van humor of relativering. Wat dat betreft had Voskuil juist van Springer iets kunnen leren. Die was niet bang om nog in actieve dienst als diplomaat zijn werkkring met de nodige afstand te beschouwen en er zijn ironisch-weemoedige romans en verhalen aan te wijden.

Reinder Storm, Den Haag

Springer & Voskuil 2

In Elsbeth Etty’s bespreking van F. Springers boek Met stille trom over Nieuw-Guinea vind ik vooral de de slotzin onthullend: ‘ Met stille trom is te zeer een apologie om een goede roman te kunnen zijn, maar onthullend zijn de indianenverhalen over „pacificatie” van de Papoea’s door een stel Nederlandse lomperiken wel.’

Haar conclusie is schrijnend naar al die Nederlanders toe die zich voor dit gebied voor de volle honderd procent hebben ingezet, onder vaak zeer moeilijke omstandigheden. De meesten kunnen niet meer reageren of zich verdedigen. Ik schat dat meer dan negentig procent is overleden.De plaats Waneda bestaat trouwens niet. Elsbeth Etty bedoelt Wamena.

Trix Stegeman-Sonneveld