Angela Merkel vergroot greep op eurocrisis

In de Europese financiële instituties is een stoelendans gaande. Er is angst voor Duitse suprematie. Probleem is echter dat er weinig goede andere kandidaten zijn.

De Duitse minister Wolfgang Schäuble maakt een goede kans om voorzitter van de eurogroep van ministers van Financiën te worden. Betrouwbare bronnen in Brussel bevestigen dat bondskanselier Angela Merkel „hard pusht voor Schäuble’’ en dat „de race al bijna gelopen is’’. Sommige landen zijn daar echter niet zo gelukkig mee.

Schäuble wil de Luxemburgse premier en minister van Begroting Jean-Claude Juncker opvolgen, die deze zogeheten ‘eurogroep’ sinds 2005 heeft voorgezeten. Junckers derde termijn loopt in juni af. Hij is ambivalent over doorgaan. Merkel en de Franse president Nicolas Sarkozy willen al een tijdje van hem af. Met Merkel is Juncker het inhoudelijk vaak oneens: hij pleit voor Europese oplossingen als euro-obligaties, zij trapt juist op de rem. Het probleem tussen Juncker en Sarkozy is van persoonlijke aard. Afgelopen jaren zijn zij meermalen publiekelijk in aanvaring gekomen, onder meer toen Sarkozy Juncker passeerde voor de G20. Velen zeggen bovendien dat Juncker het vele werk dat het eurogroep-voorzitterschap in deze crisistijd met zich meebrengt, fysiek moeilijk aankon. Vorige week liep hij krom van de galstenen.

Ook Schäuble roept echter verzet op. Niet alleen is hij niet deskundig in de haute finance: hij is jurist. Ook zijn woede-uitbarstingen zouden een voorzitter niet betamen. Zijn kandidatuur is vooral politiek omstreden in zuidelijke eurolanden. Er gaapt een diepe kloof tussen het protestants-denkend noorden (waar begrotingsdiscipline centraal staat) en het katholieke zuiden (waar solidariteit prioriteit heeft). Duitsland deelt in de eurocrisis als grootste en rijkste land de facto de lakens uit. Noord overheerst zuid, is veler perceptie.

Duitsers bezetten al veel financieel-economische sleutelposities in Europa. De voorzitter van de Griekenland-taskforce is een Duitser: Horst Reichenbach. Klaus Regling leidt het noodfonds EFSF. Werner Hoyer staat sinds kort aan het hoofd van de Europese Investeringsbank. Het nieuwe ECB-directielid Joerg Asmussen trad in januari aan. Als óók de ministers van Financiën door een Duitser worden aangestuurd, zegt een Europese functionaris, „formaliseer je iets wat je nu nog kunt verdoezelen: Duitse suprematie.”

Europese en nationale functionarissen mopperen hier wel binnenskamers over – soms in vrij grove termen zelfs – maar hun leiders protesteren niet formeel. Landen die leningen krijgen van andere eurolanden, zitten in een afhankelijke positie. In een conflict dat grotendeels draait om hoe je in Europa financiële transfers organiseert, durven Griekenland, Portugal en Ierland zich niet tegen de benoeming van Schäuble te verzetten – ook al wordt hij in hun land als nazi afgeschilderd. Italië en Spanje zouden ook liever hun mond houden tot de ellende voorbij is.

Wat ook in Schäubles voordeel kan werken, is dat het eurogroep-voorzitterschap gelieerd is aan drie andere topbenoemingen die dit voorjaar hun beslag moeten krijgen: een directielid bij de ECB, de president van de Europese Bank voor Reconstructie en Ontwikkeling (EBRD), en de voorzitter van het nieuwe permanente noodfonds ESM.

Wellicht zullen ministers van Financiën volgende week, tijdens een vergadering in Kopenhagen, het nieuwe ECB-directielid al voordragen, of anders later in april. Hier dringt de tijd, omdat het Europees parlement hoorzittingen moet organiseren en formeel moet instemmen met het nieuwe directielid. Het huidige Spaanse directielid José Manuel González-Páramo vertrekt in juni. Er zijn twee kandidaten voor de opvolging: de Luxemburgse centrale bankier Yves Mersch en de Spanjaard António Sainz de Vicuña, hoofd juridische dienst van de ECB. Mersch is monetair het meest doorgewinterd; de Spanjaard zou vooral een schoolvriend zijn van de nieuwe Spaanse premier, Mariano Rajoy. Als Mersch naar de ECB gaat, is Juncker uit de race voor de eurogroep.

Frankrijk zou als een van de weinige eurolanden verzet tegen Schäuble kunnen aantekenen. In Parijs ziet men het politieke bezwaar van een Duitser op deze post, onder de huidige omstandigheden. Maar door de polarisatie van de eurozone zijn er eigenlijk geen ‘tussenfiguren’ als Juncker meer, die een beetje noordelijk en een beetje zuidelijk zijn. Een ingewijde zegt: „Als een Italiaan ECB-voorzitter kon worden, waarom dan geen Duitser bij de eurogroep?”

En de Fransen hebben op hún beurt een stevig ijzer in het Europese benoemingenvuur. Zij azen op het presidentschap van de Europese ontwikkelingsbank EBRD, waar nu de Duitse socialist Thomas Mirow de leiding heeft (Mirows herbenoeming wordt niet door Merkel gesteund). De Fransen hebben een capabele opvolger: Philippe de Fontaine Vive, nu vicepresident bij de Europese Investeringsbank (EIB). Ook heeft Parijs iemand die het noodfonds ESM kan leiden: Xavier Musca, voormalig directeur-generaal Financiën en Sarkozy’s adviseur over de eurocrisis. Dit geeft de Fransen alle reden om een deal te sluiten met de Duitsers.

Wat Europa nodig heeft, zeggen functionarissen in Brussel, is iemand met twee petten op, zoals Juncker: premier én minister. Die kan op natuurlijke wijze op twee niveaus functioneren: bij de ministers én tussen regeringsleiders, die de echte beslissingen nemen. Er zijn nu, naast Juncker, twee regeringsleiders die ook minister van Financiën zijn: de Fin Jyrki Katainen, en de Italiaan Mario Monti. Velen zien in Monti de ideale kandidaat. Maar hij heeft het te druk in Italië, en wil niet. Katainen, iemand met uitgesproken ‘noordelijke’ opvattingen, is minder geliefd. Bovendien is eurocommissaris Olli Rehn, die ook bij ministers en regeringsleiders aanschuift, ook Fin.

Vandaar dat er twee opties overblijven: Juncker even laten aanblijven tot er een minder omstreden kandidaat opduikt, of Schäuble benoemen. Maar het eerste doet Juncker al een tijdje. Het is slecht voor de eurozone als dit gemodder voortduurt – het zoveelste bewijs van verdeeldheid in een monetaire unie die volgens financiële markten heldere beslissingen moet nemen. Het alternatief zou zijn dat de huidige verhoudingen in Europa, die sommigen nu al „neokoloniaal” noemen, worden bevestigd. Om met een zuidelijk politicus te spreken: „Mijn kiezers zeggen nu al dat ze vanuit Berlijn worden bestuurd. Hoe leg ik ze uit dat elk land één persoon naar de vergadering van regeringsleiders mag sturen, behalve Duitsland, dat Merkel én Schäuble afvaardigt? Dit is politiek dynamiet.”