Voor groeikapitaal naar de beurs? Vergeet 't maar

Het is ongelijk verdeeld in het Nederlandse bedrijfsleven. Volgens de laatste cijfers (2010) van het Centraal Bureau voor de Statistiek die ik kon traceren, telt Nederland 863.840 bedrijven, waarvan bijvoorbeeld 445.865 eenmanszaken, 220.460 besloten vennootschappen en ‘maar’ 765 naamloze vennootschapen. Het aantal bedrijven met een beursnotering (waarvoor je in elk geval een NV moet zijn) is, inclusief nieuwkomer Ziggo, nog kleiner: 170, als ik de lijst met koersen van beursorganisatie Euronext juist interpreteer.

Maar die beursgenoteerde bedrijven trekken wel 80 procent of meer van de media aandacht. Zie de introductie gisteren van kabelbedrijf Ziggo. Zie het vertrek van de beurs van koeriersbedrijf en pakjesvervoerder TNT Express, dat wordt overgenomen door zijn Amerikaanse concurrent UPS.

Gratis publiciteit is een belangrijke overweging om naar de beurs te gaan. Het kan geen toeval zijn dat de twee nieuwkomers bedrijven zijn op de consumentenmarkt; nu Ziggo, straks D.E. Master Blenders 1753, zoals Douwe Egberts zich aan het Damrak gaat noemen.

Beursbekendheid ondersteunt commercieel succes. Kijk maar naar de reclamecampagnes van Ziggo de laatste weken. Het omgekeerde klopt inmiddels ook. De ondernemingen die van de beurs verdwijnen, namelijk Wavin (plastic buizen) en TNT Express, vinden hun klanten juist op de bedrijvenmarkt. De naamsbekendheid van een beursnotering levert hen geen extra klanten op.

De rol van gratis publiciteit onderstreept dat de economische leerboeken over nut en noodzaak van een beursnotering herschreven mogen worden. Sinds de oprichting van de VOC als eerste multinational met verhandelbare aandelen gelden twee oer-argumenten voor een beursnotering: kapitaalbehoefte en handel. De beurs is in deze uitleg de schakel tussen beleggers met kapitaal en investerende bedrijven zonder kapitaal.

Maar zeker in Nederland is dat argument meer fictie dan feit. Ziggo en Douwe Egberts gaan niet naar de beurs voor kapitaal, maar om de bestaande aandeelhouders in staat te stellen om hun aandelen te verkopen. Wie start- of groeikapitaal nodig heeft, gaat niet naar de beurs. Veel te omslachtig gezien de vermenigvuldigde voorschriften, de noodzakelijke extra inzet van dure juisten en andere adviseurs en de publicatie van gevoelige bedrijfsinformatie. Voor de start- en groeifases kiest een onderneming kapitaalkrachtige particulieren, venture capital verschaffers en private equityfinanciers. Vrijwel de enige beursfondsen die wel kapitaal aantrekken zijn bedrijven met een ontwrichtte balans, zoals adviesbureau Grontmij.

Kapitaalbehoefte valt af. Beurzen zijn handelsplaatsen geworden, niet fysiek, maar in digitale netwerken. Gokpaleizen, met fiches én met echte bedrijven met echte werknemers en klanten.

Effectenbeurzen voelden dat al aan, toen zij besloten om zelf naar de beurs te gaan, zoals Euronext bijvoorbeeld in 2001 deed. Hun eigenaren (meestal de ‘traditionele’ beurshandelaren) konden hun bezit te gelde maken en zij schiepen tevens nieuwe handelswaar. Daarna kwamen de fusies, deels in reactie op het feit dat elke handelaar in wezen zijn eigen beursvloer is. De hoge vlucht die de permanente computergedreven flitshandel (high frequency trading) heeft genomen zegt verder genoeg. Handel om de handel, in de verwachting dat er wat kruimels achterblijven.

De meest gebruikte Nederlandse beursgraadmeter is ook een handelsgraadmeter: hoe meer handel in een aandeel, hoe meer kans om in de index te komen. De gang van zaken bij de bedrijven in de AEX index zegt niets over de stand van de Nederlandse economie. Daarvoor moet je bij alle 863.840 ondernemingen zijn.

Menno Tamminga