Twijfel over het optreden van de Franse politie

Had de moordaanslag op drie joodse kinderen en een rabbijn niet voorkomen kunnen worden, nu steeds meer details vrijkomen over de extremistische achtergrond van dader Mohammed Merah? De vraag wordt gesteld, maar volgens de Franse overheid hebben justitie en politie goed gehandeld. „Sneller had volgens mij niet gekund, tenzij we van Frankrijk een politiestaat maken”, zei minister van Defensie Gérard Longuet gisteren.

De zoektocht begon vrijdag na de moord op twee parachutisten in Montauban. Die moord vertoonde gelijkenis met de moord in Toulouse op 11 maart op een andere parachutist. Waarschijnlijk werd hetzelfde wapen gebruikt, en de dader vluchtte op een scooter. De politie dacht aan een wraakactie van een ex-soldaat.

Zaterdag vond de politie een extra link: de dader had zijn eerste slachtoffer in de val gelokt via een afspraak op internet voor de verkoop van een motor. De wet op de privacy verhinderde dat de inspecteurs snel achterhaalden wie de afspraak maakte: ze moesten duizenden ip-adressen napluizen. Uiteindelijk vonden ze één adres verdacht: dat van mevrouw Aziri, moeder van Abdelkader (29) en Mohamed (24) Merah. De eerste was bij de politie bekend om banden met de jihad in Irak, de tweede vooral als jeugddelinquent.

Na de schietpartij op de joodse school in Toulouse maandag werd het onderzoeksteam uitgebreid tot 200 rechercheurs, de leiding kwam in handen van de antiterroristische cel. Duizenden mensen werden ondervraagd, onder wie alle scooterverkopers uit de regio. Dat leverde uit resultaat op. Een verkoper vertelde dat hij bezoek kreeg van een van de broers Merah die vroeg hoe je het GPS-systeem dat een scooter automatisch via satelliet volgt, kon uitschakelen. Dat spoor leidde definitief naar Mohammed Merah.

De woonplaats van Merah werd dinsdagmiddag achterhaald. Om half twaalf ’s nachts werden twee broers van Mohammed en zijn moeder aangehouden, de arrestatie van Mohammed zelf mislukte die nacht. Toen begon de omsingeling.

Merah werd gevolgd door de binnenlandse inlichtingendienst DCRI, die wist van zijn reizen naar Afghanistan en Pakistan. Maar omdat de rechercheurs tot maandagochtend bezig waren met twee ‘gewone’ moordonderzoeken op parachutisten, mocht de link met terreurbestrijding zelfs niet worden gelegd. Dat kon pas na de aanslag op de joodse school.

Door van drie moordonderzoeken één terreuronderzoek te maken, konden de inspecteurs werken in een soepeler juridisch kader. Ze kregen ook toegang tot alle informatie van de inlichtingendienst. Merah werd daarna snel opgespoord, en de aanslagen die hij voor woensdagochtend had gepland op een militair en twee agenten werden verijdeld.

Minister van Buitenlandse Zaken Alain Juppé erkende dat het misschien moeilijk te begrijpen is dat Merah enkele weken geleden nog werd ondervraagd door de inlichtingendienst, en niet nog sneller werd verdacht en opgespoord. „Als er onvolkomenheden zijn geweest, dan moeten we dat zeker onderzoeken”, aldus Juppé.