Taboes van mensen en van goden

‘Het zou tragisch zijn als het besef van de literatuur als betreder van een verboden plek geheel verdwijnt.’ Arnon Grunberg hield op de Leipziger Buchmesse een lezing over taboes.

Pavel Bunin, Kreon, illustratie voor Sofokles’ tragedie ‘Antigone’ Foto AFP

Een verhaal, waaronder ik niet alleen een roman of novelle versta maar ook een toneelstuk en episch gedicht, kan gedefinieerd worden als de beschrijving van een of meer wetsovertredingen. Waarbij het mogelijk is dat de wet onrechtvaardig is. En de wet hoeft niet te zijn opgesteld door de staat. Een gezin kent bijvoorbeeld ongeschreven wetten.

Om twee voorbeelden van wetsovertredingen te geven, in Coetzees roman In ongenade zit de wetsovertreding niet zozeer in het feit dat de hoofdpersoon, professor Lurie, een kortstondige verhouding met een studente begint, als wel in het feit dat hij weigert te buigen voor de commissie van de universiteit die aanbevelingen moet doen over zijn lot. Deze koppigheid is de katalysator voor de rest van het verhaal.

In Joseph Roths roman Rebellie begrijpt de oorlogsinvalide Andreas Pum niet dat je je tegenover de bureaucratische machinerie onderdanig, ja bijna honds, moet opstellen. Op een cruciaal moment geeft Pum zich over aan zijn hartstocht, hij spuugt op de grond voor een ambtenaar, en vanaf dat moment zal de staat hem langzaam vermorzelen. De ironie van de roman zit in het feit dat de rebellie zijn ondergang wordt, maar hem ook in leven houdt, want Roth schrijft: „Ten dode opgeschreven bleef hij in leven om te rebelleren: tegen de wereld en de autoriteiten, tegen de regering en tegen God.”

Het verhaal, en dat is misschien wel bij uitstek zijn functie, beschrijft het schenden van taboes, zonder dat het zelf noodzakelijkerwijs een taboe doorbreekt.

De beschrijving van een overtreding is nog geen overtreding en hoeft die overtreding ook niet te verheerlijken. De schending van het taboe maakt immers de humor mogelijk die volgens Milan Kundera de ‘morele ambiguïteit’ van de wereld onthult.

Dubbel parkeren

Niet elke wetsovertreding is de schending van een taboe, maar te hard rijden kan al een taboeschending zijn, zeker als door die overtreding iemand wordt gedood. En wie wegens dubbel parkeren zijn eigen auto niet meer kan verplaatsen voelt aan den lijve dat voor de direct betrokkenen zelfs dubbel parkeren neerkomt op de schending van een taboe.

Het zou tragisch zijn als het besef van de literatuur als betreder van een verboden plek geheel verdwijnt. Als literatuur alleen de ezel mag zijn die de kar van het vermaak of die van het gemakzuchtige humanisme voorttrekt, het soort humanisme waaraan politici tijdens officiële gelegenheden gaarne lippendienst bewijzen. Over dat humanisme heeft Erich Kästner al het meeste gezegd in zijn gedicht „‘Und wo bleibt das Positive, Herr Kästner?’: ‘Ihr streut euch Zucker über die Schmerzen/ und denkt, unter Zucker verschwänden sie.’

Als de hele verhalende literatuur bestaat uit beschrijvingen van wetsovertredingen, is het nuttig om eerst de twee verschillende wetgevers te onderscheiden: de goden en de mensen. Vrijwel nergens wordt dat onderscheid beter duidelijk gemaakt dan in de tragedie Antigone van Sofokles, die laat zien wat er kan gebeuren als de wet van de burger op gespannen voet staat met de wet van de heerser, omdat er eveneens de wetten van de goden zijn. Waar wetten zijn, zijn ook altijd taboes.

De menselijke moraal veronderstelt een redelijke basis. De gedachte dat goed is wat goed is voor ons en de onzen en slecht voor onze vijanden mag nog altijd een veel gehoorde opvatting zijn, Socrates heeft al duidelijk gemaakt dat deze moraal geen redelijke basis heeft. Immers, als onze vijanden niets zijn in onze ogen, wie zijn wij dan in de ogen van onze vijand?

In de menselijke wetten van de heerser Kreon ziet Antigone geen redelijkheid en vice versa. Haar eerbied voor de wetten van de goden dwingt haar die van Kreon te negeren. Haar overgave aan het goddelijke voorschrift, zo blijkt uit deze tragedie, valt bovendien niet samen met haar eigenbelang. Een cruciale nuancering, de overtreding komt niet altijd voort uit eigenbelang.

Het koor zegt tegen Antigone: „De doden eren is een heilige plicht,/ maar macht die echte macht wil zijn/ verdraagt geen openlijk verzet;/ je koppigheid werd je ondergang.”

Het taboe is niet alleen een poging om ons driftleven te reguleren, het is ook macht in uitvoering. En macht verdraagt geen openlijk verzet. Wie eenmaal heeft gezegd: tot hier en niet verder, verliest zijn aanzien en daarmee zijn macht als hij de overtreders ongestraft laat. Dat maakt de macht zodra zijn wetten genegeerd worden tragisch, en dikwijls ook komisch.

Hoe precair de macht is, wordt al duidelijk op gezinsniveau. De ouder dreigt: ‘Ik tel tot drie en dan ga je naar bed.’ Maar waarmee hij dreigt is niet geheel duidelijk. Een klap wellicht? Macht kan zich pas probleemloos handhaven als hij zijn dreigementen niet hoeft waar te maken. Immers, hoe vaker de ouder slaat hoe meer zijn straf zal devalueren en aan gezag zal inboeten.

Aangezien het verhaal de beschrijving van een of meer wetsovertredingen is, kunnen we stellen dat macht een belangrijke preoccupatie van literatuur is. Zij verkent de grenzen van die macht. Zij kan zelfs macht ontrafelen. De macht van David Lurie wordt tenietgedaan door zijn eigen overtreding, waarvan de grootste lijkt te zijn dat hij zich weigert te voegen naar het sociale spel. Tegelijkertijd wordt de tegenstrever van Lurie, de commissie van de universiteit die hem veroordeelt, beschreven als net zo blind als Lurie, gevangen in procedures en belangen die minder met rechtvaardigheid te maken hebben en meer met eigenbelang.

Machine

De toch al beperkte macht van de oorlogsinvalide Pum wordt verpulverd, gedeconstrueerd zou je bijna kunnen zeggen, door de staat en zijn gewillige dienaren. Pum is het slachtoffer van het feit dat hij zijn alleszins bescheiden hartstocht op een cruciaal moment niet onder controle had. Hoewel wij over zijn onvermijdelijke ondergang lezen, wordt de macht van de staat beschreven als iets wat elke redelijkheid en daarmee elke morele autoriteit ontbeert. De staat is een machine van macht die voortraast zonder te weten waarheen en zonder zich te bekommeren of zich zelfs maar bewust te zijn van de burgers die hij verpulvert. De beschrijving van de ondergang van Pum is ook de beschrijving van de staat als een blinde, op hol geslagen machtsmachine.

De wereldlijke macht, Kreons macht om het zo even te noemen, dit ter onderscheid van de goddelijke macht, is zelden uitsluitend een kwestie van geweld. Juist in onze liberale democratieën zou macht niet of nauwelijks meer afhankelijk moeten zijn van geweld; macht steunt op woorden, argumenten en sentimenten, ook wel genoemd: de wil van het volk. Hij handhaaft zichzelf door emoties op te wekken, hij maakt gebruik van narratieve constructies en is misschien zelf een narratieve constructie, hij komt niet uit de loop van een kanon. Zijn gezag is gebaseerd op mythes die hij min of meer succesvol in stand houdt. De ongenaakbaarheid van in principe eerbiedwaardige instituten als de rechterlijke instituties of het parlement waarborgen de autoriteit en de macht van de individuele machtsdrager, bijvoorbeeld de minister-president. Ook nu de esthetisering van de politiek terecht een taboe is geworden, de esthetisering van de politiek is immers een kenmerk van het fascisme, blijft retorica een onmisbaar middel voor de politicus; vrijwel geen hedendaagse politicus ontkomt aan het opwekken of bespelen van emoties.

Literatuur bedient zich veelal van de instrumenten waarvan de macht zich ook bedient, maar zet die op een andere manier in. Waar de macht zich handhaaft dankzij het afdwingen van het geloof in zijn taboes, ontleent de literatuur haar macht aan het ontheiligen van wat buiten die vrijplaats als betrekkelijk heilig wordt beschouwd. Zij kan ongestraft wetten overtreden, zij beschrijft het schenden van taboes. Zij heeft alleen al daarom het vermogen het instrumentarium van de macht te onderzoeken, te ontrafelen en te saboteren. Literatuur kan zich verhouden tot macht als het computervirus tot de computer.

De Kreons van deze tijd moeten zich druk maken om de liefde van hun publiek, de liefde van de goden speelt geen rol meer. Zelfs als zij hun godvrezendheid benadrukken, zoals in Amerika veelvuldig gebeurt, weet de goede verstaander dat dat niet gebeurt om de goden gunstig te stemmen maar het publiek dat op hen moet stemmen.

Anders dan in Antigone lijken er geen goddelijke wetten meer te zijn, alleen nog al te menselijke. Volgens Hegel is het de vooruitgang, de ontdekking van de moderne vrijheid, dat wij in het noodlot niet meer een bovenmenselijke, blinde macht herkennen maar onze eigen wil. Met het verdwijnen van de goddelijke wetten doen zich nieuwe problemen voor, en daarvoor moeten we terug naar Antigone.

Als het Antigone gelukt is om haar broer te begraven, en daarmee de wet van Kreon te overtreden, wordt zij voor Kreon voorgeleid en zij zegt tegen hem: „Ik wilde de goddelijke wet niet breken/ uit angst voor een menselijk verbod.”

Antigone onderscheidt hier het goddelijk taboe van het menselijk taboe: er is de wet van de goden en er is de wet van de mensen.

Antigone staat erop haar broer te begraven omdat het een voorschrift van de goden is, maar dat voorschrift heeft een raadselachtige kant, want welk praktisch doel wordt ermee gediend?

Je kunt zeggen dat het begraven van de doden tot doel heeft om het verspreiden van ziektes te voorkomen. Maar in sommige culturen worden doden verbrand, en in India bestaat er bijvoorbeeld een cultuur waar de doden op hoge torens worden gelegd waar ze door roofvogels worden opgegeten; er zijn verschillende manieren waarop een samenleving zich, om het cru te zeggen, kan ontdoen van zijn doden.

Antigone heeft haar broer niet begraven uit angst dat zijn lijk ziektekiemen zou verspreiden, zij volgde een goddelijk voorschrift en dat voorschrift had geen praktisch nut.

Redeloos

Niet al het onbegrijpelijke is heilig maar het heilige is per definitie onbegrijpelijk. Elk taboe dat van de goden afkomstig is, heeft geen redelijke basis, zij is redeloos en wellicht ook ten zeerste onredelijk. Daarin onderscheidt het zich van het taboe dat van de mensen afkomstig is, van Kreon bijvoorbeeld.

Antigone neemt deze onredelijkheid serieus. Zij begraaft haar broer terwijl zij de consequenties van die daad kent; willens en wetens neemt zij het risico dat ze zal sterven. Wat is er onredelijker dan te willen sterven? Had zij het risico genomen om het leven van haar broer te redden dan was haar daad vanuit menselijk perspectief nog redelijk geweest, zij zou zich hebben opgeofferd voor een ander leven. Dat is, hoe moeilijk na te voelen ook, nog altijd redelijk, sommigen zullen zelfs zeggen: prachtig en heldhaftig. Maar zij offert haar leven om een broer die al dood is eer te bewijzen, beter gezegd om de goden eer te bewijzen. Niets in de tekst wijst erop dat zij de straf van de goden vreest.

Heel juist van het koor om Antigone ‘dwaas’ te noemen. Als de kern van het heilige, van het goddelijk taboe, het onbegrijpelijke is, dan is het eerbiedigen van het heilige een vorm van dwaasheid.

De sterveling kan zich verzetten tegen het goddelijke of eraan gehoorzamen, maar hij kan het niet doorgronden. Zelfs als hij zich op het standpunt van de goden stelt, en zich dus schuldig maakt aan overmoed, zal hij niet de onredelijkheid van de goden werkelijk doorgronden. Het is het misverstand van het fascisme dat het door niets geremde sadisme, waar fascisme op uitliep, de mens op de troon van de goden zou zetten. De mens die in de goden (of God) het goede ziet of het slechte, wat feitelijk op hetzelfde neerkomt, vertrouwt te veel op zijn ratio. Hij bekijkt de goden alsof er geen ander perspectief bestaat dan het menselijke, hij heeft iets wezenlijks niet willen begrijpen.

In een seculiere burgerlijke maatschappij is de mens verworden tot een homo economicus. Deze streeft zijn belangen na, in de regel binnen de grenzen van de wet. De homo economicus – en de bourgeois is de belichaming van de homo economicus – mist iets wezenlijks. We kunnen dat het goddelijke noemen; hij kan het onredelijke, wat vroeger het goddelijke werd genoemd, geen plaats geven in zijn leven. Dat moet de verklaring zijn waarom de econoom Schumpeter stelt dat de bourgeoisie de neiging heeft zichzelf op den duur op alle mogelijke manieren te ondermijnen.

De behoefte aan het heilige verdwijnt namelijk niet. Zij komt niet zozeer voort uit een verlangen naar een mythische, paradijselijke toestand, als wel uit de intuïtie van de homo economicus dat ook hij, de vleesgeworden redelijkheid, gebouwd is op een onredelijke basis.

Onder onze redelijkheid ligt het moeras van de onredelijkheid. Het willekeurige, het onbegrijpelijke, het furieuze, kortom het goddelijke. De wetten van de goden mogen er dan niet meer zijn, hun stuiptrekkingen, het noodlot, zijn er nog wel degelijk.

Andreas Pum, die zich laat gaan tegenover een ambtenaar die over zijn lot beslist. David Lurie, die weigert zelfs maar spijt te betuigen tegenover de commissie die over zijn lot zal beslissen.

Antigone, die weigert Kreon te gehoorzamen én Kreon, die zijn vrouw en zijn zoon, de geliefde van Antigone, de dood in drijft omdat hij Antigone veroordeelt.

Sofokles, Roth en Coetzee tonen de onredelijkheid, de blindheid en de starheid van de macht zelf waartegen hun hoofdpersonages rebelleren. En het zijn andere krachten dan het eigenbelang die zich laten gelden in deze personages. Wat de homo economicus kwelt, is de behoefte het goddelijke, dat wil zeggen het onleefbare, dat om hem heen is en in hem woont, een plaats te geven. Daar waar hij op raadselachtige wijze zijn eigenbelang met de voeten treedt, overmand als hij is door iets wat groter en vernietigender is dan dat eigenbelang en daar waar het lot zijn belangen schaadt.

Ook zonder de goden moet de mens zich verhouden tot zijn noodlot, dat slechts zeer ten dele zijn eigen creatie is. Literatuur kan daarbij een bemiddelende rol spelen.

Dit is de ingekorte versie van de lezing die Grunberg op 15 maart voor Das Literarische Colloquium Berlin hield op de Leipziger Buchmesse.