‘Overal zijn geluiden – het hangt allemaal in de lucht’ Scheppen Tekst Saskia van Loenen Foto Mark Kohn

Hoe ziet de werkplek eruit van mensen die scheppen? Wat hebben ze nodig om tot hun creaties te komen? In deze eerste aflevering van een nieuwe serie: componist en muzikant Henny Vrienten (1948).

‘Dit hele huis is muziek, het is als het ware één grote studio. Ik werk dus vrijwel altijd vanuit huis. Na zo veel jaar ervaring weet ik feilloos wat de natuurlijke voorwaarden zijn om op stoom te komen. Dus na het hoeveelste kopje koffie ik kan gaan beginnen, bijvoorbeeld. Het vierde is net te veel, dan raak ik licht opgefokt. Na het derde gaat het broeien. Mijn dagritme is vrij strak. Ik sta om half acht op, dan voeden en wassen we de kinderen en breng ik ze naar school. Om tien over half negen lig ik in het zwembad, daarna even in de sauna. Om tien uur precies ben ik weer thuis. Dan volgt dat derde kopje koffie. En dan mag ik beginnen. Ik werk tot een uur of één; een broodje en daarna weer door tot een uur of vijf. ’s Avonds werk ik in principe niet.

Het scheppen zelf is eigenlijk een soort kortsluiting in het hoofd. Ik schep zo veel mogelijk goede randvoorwaarden, dus omring mij met goede spullen. Ik werk altijd in opdracht en beschouw mijn werk als een karwei dat af moet. De voorbereiding verschilt per karwei. Als ik muziek voor een film moet maken begint het natuurlijk met kijken. Dan ben ik een paar weken bezig met notities maken, vingeroefeningen, schetsen. Ik ben dan nog niet écht aan het werk, het zijn in feite omtrekkende, verkennende bewegingen. Dan ga ik de muziek opnemen; veel daarvan speel ik zelf in, maar ik werk ook met muzikanten en kleine ensembles. Daarna begint het afwerken, het mixen. Omdat ik dat thuis doe kan ik daar veel tijd aan besteden. Ik ga niet op inspiratie zitten wachten. Ik ga hier zitten om te werken en dan moet het ook gebeuren. Dan wérk ik ook. Gelukkig komt er altijd wat. Daarom sla ik ook niet krampachtig ieder melodietje dat zich aandient direct op. Als ik bezig ben met een karwei, past zo’n melodietje vaak helemaal niet. Dan moet er toch weer een nieuw melodietje worden bedacht. Het begint vaak met riffjes; loopjes op een gitaar of op de piano. Als ze hier lang genoeg blijven wonen worden ze een liedje. Zo simpel is het eigenlijk.

Met name in de ontwerpende fase laat het je eigenlijk niet los. Ik ben altijd aan het ijken. Hee, deze klankcombinatie, kan ik daar wat mee? Dan hoor ik in de auto op Radio 4 een bepaalde orkestklank en denk: die combinatie, die moet ik onthouden. Ik kan ook niet normaal naar een film kijken zoals anderen dat doen: ik kijk een film met mijn oren. Een liedje heb ik in feite zo geschreven, al hoop ik niet dat dat arrogant klinkt. Maar als je de voorwaarden schept snel en efficiënt te kunnen scheppen, heb je vaak niet meer nodig dan even dat moment in het brein waarin het gebeurt. Als ik ervoor ga zitten komen er soms zomaar veertig mooie, nieuwe melodieën naar boven. En ik heb er maar één nodig. Die andere 39 vergeet ik dan weer, maar dat is niet erg. De dag daarna is er weer een nieuwe lichting.

Geluiden, dat is het. Daaruit komt alles voort. En vanuit daar ga ik werken. Die geluiden zijn letterlijk overal: die boor bij de buren die je net hoorde, een piepende deur… je hoort iets en denkt: ja, dat is het. Dat is het vonkje. Ze komen de hele dag voorbij, die wijsjes. Het hangt allemaal in de lucht. De Franse componist Messiaen raakte geïnspireerd door vogels die hij hoorde zingen. De Tsjechische componist Janácek liet zich inspireren door vrouwen die hij hoorde praten op de markt; dan rende hij naar huis en maakte zijn muziek, met die klanken als basis. En zo werkt het ook. Het is overal. Ik heb maar één noot nodig. Eén noot om mee te beginnen. En dan komt het. Ik vergelijk het wel eens met een kraan die je opendraait. Ik ga zitten en er komt muziek. Het probleem is het kíézen. Dat het lukt, het scheppen, is een bepaalde connectie in het brein. Daar moet je getraind voor zijn, en voor open staan. Met je oren dus. Ik luister altijd naar alles, ook in gesprekken. Ik hoor ieder geluid. Nee, dat is niet vermoeiend. Ik heb daar alleen maar plezier van.

Kijk, deze mengtafel. Een geweldige tafel. Het is heel dubbel natuurlijk: op de goedkoopste gitaar kun je nog waanzinnige muziek maken. Dus het gaat in wezen natuurlijk niet om de spullen. Maar ja (lacht verontschuldigend), je hoeft jezelf natuurlijk ook niet te pijnigen. Want inderdaad, overal in dit huis staan prachtige instrumenten. Vooral heel veel gitaren. In feite heb je er maar een paar nodig, een paar verschillende klankkleuren. Maar weet je, ik ben gewoon zo dol op gitaren. Het zijn ook de mooiste dingen om naar te kijken. En het inspireert heel erg. Ik hoef maar iets op te pakken en ik heb een klank. Hier, een onooglijk rood citertje, voor 2 euro gekocht op het Waterlooplein.” Haalt één keer zijn hand over de snaren. „Herken je het? De begintune van de serie Unit 13.” De apparatuur van de fotograaf geeft iedere keer dat hij afdrukt drie verschillende piepjes. Vrienten grijpt zijn gitaar en vindt meteen de drie tonen. Een minuut later speelt en neuriet hij een wonderschoon liedje. „Mooi hè, zo makkelijk gaat dat dus. En toch leg ik het niet vast. Want morgen is er weer iets anders moois.”