Onderzoek naar gedrag verdachte is vaak niet goed

De rapportages die psychiaters en psychologen maken voor rechtbanken zijn vaak ondermaats. Dat blijkt uit het onderzoek Gedragsdeskundigen in strafzaken waarop strafrechtjurist Corrie van Esch gisteren promoveerde aan de Universiteit Leiden.

Gedragsdeskundigen – psychiaters en psychologen – houden zich lang niet altijd aan de beroepscodes, gedragscodes, wettelijke voorschriften, jurisprudentie en richtlijnen die bij hun beroep horen. Slechts 70 procent betrok bijvoorbeeld het proces-verbaal van de politie bij rapportages. „Andere ‘verplichte’ stukken kunnen op nog minder belangstelling rekenen”, schrijft Van Esch in haar proefschrift.

Jaarlijks verrichten gedragsdeskundigen zo’n 8.500 onderzoeken in strafzaken. Hun rapportages worden gebruikt om te bepalen of verdachten toerekeningsvatbaar waren toen ze een misdrijf pleegden, en om de kans op recidive in te schatten. Ook doen psychiaters en psychologen voorstellen voor behandeling. Van Esch onderzocht 123 strafzaken in zes arrondissementen: Amsterdam, Arnhem, Assen, Breda, Den Bosch en Dordrecht. Zij ging na of onderzoekers voldeden aan de verplichtingen en gebruikmaakten van hun bevoegdheden.

Om tot een gefundeerd oordeel te komen moeten gedragsdeskundigen minimaal twee uur de tijd nemen. In eenvijfde van de gevallen gebeurde dat niet. Verder werd bij slechts 10 procent van de onderzoeken de hulp van een tolk ingeroepen. Van Esch: „Soms lijkt daar ten onrechte van te worden afgezien. Zo geven sommige gedragsdeskundigen aan dat de taalbarrière af en toe tot begripsverwarring aanleiding gaf.”

Bij 7 procent van de rapportages adviseerden gedragsdeskundigen de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis te plaatsen, bij 20 procent raadden zij aan om tbs op te leggen. Bij dit soort zware maatregelen eist de wet dat adviezen gemotiveerd worden. Dat gebeurt volgens Van Esch zelden.

Rechters hebben doorgaans veel vertrouwen in gedragsdeskundige rapportages. In bijna de helft van de vonnissen staat dat „de rechtbank één of meer conclusies van de deskundige overneemt en die tot de hare maakt”. Volgens Van Esch bevestigen de bevindingen van haar studie dat rechters die formulering beter achterwege kunnen laten.