Niks over de prijs uit Zweden

Guus Kuijer kreeg de ‘Nobelprijs voor de jeugdliteratuur’. Zijn reactie is al net zo eigenzinnig als zijn personages.

Dinsdagmiddag had Guus Kuijer (1942) alweer iets anders aan zijn hoofd. Hij liet op Twitter van zich horen over dat ‘andere’ grote nieuws, namelijk dat Hero Brinkman de PVV-fractie verliet. „Het kan me eerlijk gezegd niet schelen welke regering hierna komt, als ze zich maar niet laat gedogen door discriminerende mafketels.”

Niets over het telefoontje uit Zweden van die ochtend dus. Niets over dat hij was uitgeroepen tot de twaalfde laureaat van de Astrid Lindgren Memorial Award (ALMA), een onderscheiding die met ruim 560.000 euro prijzengeld gezien kan worden als de Nobelprijs voor de jeugdliteratuur. Vooruit, één grappige en ietwat cryptische tweet daarover dan: „Ik ben zooo gewoon gebleven!”

Gewichtig doen over zichzelf is niet des Kuijers. Interviews geeft hij niet. Maandag twitterde hij nog dat hij het zeer onwaarschijnlijk achtte dat hij de Lindgren-prijs zou winnen. De winnaar was dan ook volstrekt onvoorspelbaar: er was een lijst van 184 genomineerde schrijvers, illustratoren en instellingen, die volgens de jury werken in de geest van Astrid Lind-gren de kinderliteratuur promoten.

Met Annie M.G. Schmidt deelt Kuijer een hartgrondige hekel aan burgerlijkheid en volwassenen van wie kinderen de dupe worden, wat zich de afgelopen veertig jaar uitte in vele realistische boeken over alledaagse kinderen. „Nou, ik neem geen man hoor”, zegt de rebelse Madelief aan het begin van Met de poppen gooien (1975). „Mij niet gezien. Dan moet je altijd afwassen. Mijn moeder heeft er ook geen.” Kuijer schreef eigentijdse, maatschappijkritische boeken, zonder dat hij zich aan een politieke kleur verbond. Anti-burgerlijke pedagogen, dat waren tenslotte óók dogmatische griezels. Kuijer kiest altijd de kant van het kind, in de Madelief-reeks uit de jaren zeventig, die bestond uit boeken als Grote mensen, daar kun je beter soep van koken (1976) en Krassen in het tafelblad (1978), maar ook in zijn recentere serie over Polleke, een dichteresje in de dop met een Marokkaans vriendje. Die keuze voor kindvriendelijkheid werkt door in zijn manier van schrijven, die zijn boeken eeuwigheidswaarde geeft. Zijn stijl is lichtvoetig en helder, met een dun laagje ironie, waarmee hij de wereld niet te serieus neemt.

Nieuwe generaties kinderboekenschrijvers zijn schatplichtig aan hem dankzij zijn stijl. Die zorgde er ook voor dat kinderen zijn boeken evenzeer liefhadden als literatuurvorsers. Hoewel zijn laatste kinderboek Florian Knol uit 2006 dateert, worden zijn boeken nog steeds gelezen: een Amsterdamse kinderboekhandel ontving het nieuws van de bekroning opgetogen, „omdat Kuijers boeken nog zo goed leesbaar en verkrijgbaar zijn”. Het valt inderdaad op: zijn vroege werk doet niet gedateerd aan, de verhalen hebben niets aan tempo of zeggingskracht verloren.

De Lindgren-jury liet zich het meest leiden door het maatschappijkritische van Kuijers werk, getuige het juryrapport: „Guus Kuijer geeft met onbevooroordeelde blik en intellectuele scherpte de problematiek van de moderne samenleving en de grote levensvragen vorm. In zijn boeken is respect voor het kind net zo vanzelfsprekend als zijn afwijzing van intolerantie en onderdrukking.” Daarmee doelt de jury in het bijzonder op Het boek van alle dingen (2004), een nationaal en internationaal gewaardeerd kinderboek over de jonge Thomas die opgroeit in het Nederland van de jaren vijftig, in een streng christelijk huishouden.

Zelf liet Kuijer weten dat Het boek van alle dingen hem het meest dierbaar is en dat hij zeer vereerd is. Hij hoopt dat de prijs „de positie van kinder- en jeugdliteratuur positief zal beïnvloeden”. Gisteren volgde daar nog een ironische tweet op. „Dat was een lekkere, rustige lentedag gisteren. Fijn in de tuin gewerkt.”