Iedereen is Cindy Sherman

De Amerikaanse kunstenares Cindy Sherman gebruikt al bijna veertig jaar zichzelf als model. En nog steeds is ze ongrijpbaar, blijkt op een retrospectief in New York.

Cindy Sherman: Untitled #466, 2008.

Make-up – natuurlijk. Het duurt even voor je door hebt wat er zo verwarrend is op het grote, imposante Cindy Sherman-overzicht in het New Yorkse MoMA. Het is de make-up. Op de expositie hangen meer dan 170 van de portretten die Sherman al bijna veertig jaar van zichzelf maakt, maar eigenlijk zie je Sherman zelf maar weinig. Wel: foundation, rouge, lippenstift, mascara, wenkbrauwpotlood. Pruiken. Dikke, witte vegen theaterschmink. Kostuums. En dan doet Sherman ook nog eens geen enkele moeite die façade te verbergen. De poederkorrels drijven op haar huid, de blush is een glacislaag op haar wangen, de lippen zijn knalrood of juist wekig bleek als een clownsmond of een designervagina – en dan zet Sherman ook nog eens stevige lampen op haar gezicht, waardoor de plooien, de barsten en de groeven in haar huid nog nadrukkelijker zichtbaar worden.

Toch, en dat is het bijzondere, kost het geen moeite in Shermans personages te geloven – je herkent ze allemaal. Kijk, de vrouw van eind veertig die de twijfel over haar aantrekkingskracht maskeert met iets te uitbundige highlights en sjaaltjes. Het meisje van zeventien dat nog steeds denkt dat ze door het dragen van een uitbundige blauwe baljurk op een ster kan lijken. De actrice die een kwetsbaar, dromerig meisje vertolkt. En subtieler: de actrice die een smachtende vrouw wil spelen, maar daar net niet in slaagt – zodat Sherman je als toeschouwer met maar liefst drie vrouwen tegelijk confronteert die zich op een subtiele, complexe manier tot elkaar verhouden. Ondertussen blijft Sherman zelf door die nadrukkelijk aanwezige make-up voortdurend op de grens van werkelijkheid en illusie balanceren. Als je wilt kun je haar foto’s ieder moment ‘ontmaskeren’, net zoals je bij een schilderij altijd kunt roepen dat het ‘alleen maar verf is’. Maar dat wil je helemaal niet. Blijkbaar is er iets in Shermans personages zo krachtig, zodat je het verbond met haar met plezier aangaat, zelfs als Sherman er zelf voortdurend op blijft wijzen dat het allemaal illusie is.

Alleen: waar kijk je dan naar?

Hoe het ook zij, wat sowieso opvalt aan deze grote Cindy Sherman-expositie is hoezeer die laat zien dat goede kunst bijna altijd opkomt op de golven van de tijdgeest, maar vervolgens pas echt waarde krijgt door zich daaraan te onttrekken. Sherman brak door in de tweede helft van de jaren zeventig met haar Untitled Film Stills: een serie van 96 foto’s die, inderdaad, verdacht veel leken op de zwart-witfilmstills die in die jaren vaak in bioscoopvitrines hingen om toeschouwers lekker te maken voor nieuwe films. Zulke stills tonen altijd veelzeggende, beladen, vaak emotionele momenten uit een film, liefst uitgevoerd door de hoofdrolspeelster. Sherman ensceneerde deze foto’s perfect, inclusief alle details waardoor je als toeschouwer wordt verleid zonder dat je het zelf door hebt: de dromerige blik net langs de camera, de suggestieve, historische achtergronden (actrice voor kathedraal), de vooruit priemende borsten in iets te strakke truitjes, de vrouw die net een deur uit loopt (wat is daarbinnen gebeurd?), de nauwelijks traceerbare lichtbundel die de hoofdrolspeelster tot een goddelijk, uitverkoren wezen maakt.

Feminisme

De crux van de serie was echter dat elke hoofdrolspeelster door Sherman zelf werd gespeeld, telkens met ander haar, andere kleren, een andere blik. Daarmee raakte ze perfect aan de tijdgeest van de jaren zeventig, waarin vrouwen zich (mede door het feminisme) steeds bewuster werden van de rollen die de maatschappij hun oplegde, van de druk om aan bepaalde stereotypen te voldoen, maar ook van het toenemende belang dat er werd toegekend aan roem, aan zichtbaarheid. Sherman liet dat allemaal zien, maar tegelijk onttrok ze zich eraan door zichzelf op superieure wijze in 96 verschillende vrouwen te transformeren – Sherman was alle vrouwen van de wereld, die liet zien dat je als vrouw heel goed het heft in handen kon nemen. Zo werd ze een van de eerste, misschien wel de allereerste, kunstenares die wereldberoemd werd door de complexiteit van vrouwelijkheid tot onderwerp te nemen.

Maar dat is nog niet alles. Wat deze tentoonstelling vooral zo goed maakt is dat zij laat zien dat Sherman, door voortdurend te blijven laveren tussen werkelijkheid en imitatie, in haar oeuvre bijna alle kanten van zichtbaarheid, media, authenticiteit en roem heeft gevangen – zelfs al zijn lang niet al haar werken even geslaagd. Dat geldt trouwens niet voor de eerste kleurenfilmstills uit het begin van de jaren tachtig: die zijn geweldig. Met verbazing kijk je bijvoorbeeld naar Untitled #74 (1980) waarop Sherman een perfecte Hillary Clinton ‘doet’, jaren voordat Hillary Clinton zelf in deze vorm bestond. Of neem de ‘kunsthistorische portretten’ waarmee Sherman op de verwarring en de ijdelheid van het postmodernisme reageert door allerlei beroemde modellen uit de kunstgeschiedenis te imiteren (inclusief een faun van Caravaggio en een adellijke dame van Ingres). Die zijn geestig, vooral omdat Sherman hier nog veel verder durft te gaan in het gebruik van aanplakborsten, fopneuzen en wondschmink (het lijkt soms wel carnaval) maar tegelijk ook de vraag aan de orde stelt in hoeverre we de geschiedenis kunnen vertrouwen – waar kijk je eigenlijk naar, als je naar een historisch portret kijkt? En haar horror- en seksfoto’s (viezige, nachtmerrieachtige beelden vol modder en kots en maden en sekspoppen) waarop ze zelf nog maar zelden optreedt, passen perfect bij de decadente jaren negentig – wat nog sterker zo is als je bedenkt dat ze vaak voor enorme bedragen werden verkocht.

Daar staan dan bijvoorbeeld de clownsportretten uit het begin van deze eeuw tegenover, die tamelijk verschrikkelijk zijn. Niet alleen zijn ze lelijk, ze gaan veel te letterlijk over de verhouding tussen namaak en echt, tussen innerlijk en uiterlijk – alsof de twijfel die de kunst toen mondiaal in zijn greep had, ook Shermans denken te pakken had. Niet voor niets heeft het MoMA ze maar zo’n beetje naar de marge van de expositie gemanoeuvreerd.

Ongrijpbaarheid

Maar zelfs die mislukte clowns doen je niet vergeten wat eigenlijk Shermans grootste prestatie is: dat ze tot op de dag van vandaag haar ongrijpbaarheid heeft weten te behouden. Ondanks al die tientallen, honderden foto’s op het MoMA-overzicht, krijgt je nauwelijks een beeld van Sherman zelf, van haar emoties, haar smaak. Wie is ze eigenlijk? Zou je haar herkennen op straat? Die ‘onzichtbaarheid’ is bijna een statement in een tijd waarin de persoonlijkheidscultus grootse vormen heeft aangenomen en authenticiteit voor veel kunstenaars het hoogste streven lijkt. Waarschijnlijk heeft Sherman altijd beseft dat roem en een cultus rond haar persoon fataal zouden zijn voor haar werk: op het moment dat ze zelf zichtbaar zou worden, een celebrity, zou de aandacht van haar personages worden afgeleid en zou iedere nieuwe foto ‘Cindy doet een nieuw typetje’ zijn geworden. Nu ze zelf nog steeds bijna ‘leeg’ is blijf je geïnteresseerd: Sherman heeft zichzelf tot de Elkerlyck van de kunst ontwikkeld, een kunstenaar die als niemand begon en nu iedereen is geworden.

Toch is Shermans verhouding tot de buitenwereld wel ergens veranderd. Haar eerste Filmstill-series ontlenen hun spanning vooral aan het feit dat een jonge, relatief onbekende kunstenares erin slaagt zich zo slim tot de wereld van de film verhouden – alsof ze die wereld aan de ene kant doorprikt, maar er tegelijk haar eigen plek in claimt. Maar naarmate ze bekender wordt, gaat Sherman steeds meer ‘gewone’ mensen portretteren – waardoor haar types niet alleen steeds realistischer worden, maar ook een steeds groter deel van de (westerse) wereld omspannen. Bekroning van die ontwikkeling is haar meest recente serie, meteen een van haar beste, juist omdat analyse, zelfspot en Sherman zelf zo dicht bij elkaar komen. Het idee is simpel: Sherman typeerde rijke, gearriveerde vrouwen van haar eigen leeftijd. Ze staan in grote tuinen, sjieke bibliotheken, het haar zit strak in de lak en ze dragen dure, vaak glanzende kleren. Tegelijk kan al dat uiterlijk vertoon hun kwetsbaarheid niet verhullen – en daar is de make-up ook weer. Die is hier dikker, opzichtiger dan ooit en fungeert bijna letterlijk als een scherm tussen uiterlijk en innerlijk, tussen fictie en werkelijkheid. Maar ondertussen zitten ze verrassend dicht bij Sherman zelf. Is zij niet van dezelfde leeftijd? Even rijk en even gearriveerd?

Daarmee werpt Sherman weer allerlei goede vragen op. In hoeverre sta je als kunstenaar nog buiten de wereld als je succesvol bent? Hoe waarborg je als mens in het algemeen je authenticiteit? Bestaat authenticiteit sowieso nog wel? Het geeft maar aan hoe rijk Shermans werk is geworden: door consequent vast te houden aan een vorm, een stijl, geeft ze je als toeschouwer de mogelijkheid achter ieder mens een Sherman-personage te zien, inclusief gelaagdheid, complexiteit en verwarring. En het werkt. Wie na Cindy Sherman de straat op gaat, of het nu in New York is, in Amsterdam of in Heemstede-Aerdenhout, ziet overal Cindy Shermans lopen. Of beter: ineens kijk je met een andere blik naar al die vrouwen en zelfs mannen die je normaal iets te achteloos voorbij loopt. Een opzichtig sjaaltje, een vreemd hoedje, iets te veel make-up is al genoeg.

Cindy Sherman. T/m 11 juni in het Museum of Modern Art, 11 West 53rd Street, New York. Wo t/m ma 10.30u-5.30u, do tot 20u. Inl. moma.org