Het recht van formatie

Bijna een halve eeuw geleden, in 1966, betitelde oud-premier Drees de kabinetsformatie al als „een zwakke plek in de Nederlandse politiek”. Daarmee doelde hij op de schimmige fase die telkens weer ontstaat na verkiezingen voor de Tweede Kamer. Zo aanwezig als de politici zijn bij de campagne voor de verkiezingen, zo afwezig zijn ze direct na de verkiezingen als zij zich in het kader van de kabinetsformatie terugtrekken achter hermetisch gesloten deuren. Vaak pas maanden nadat hij zijn stem heeft uitgebracht, als er een kabinet is geformeerd, weet de kiezer tot wat voor coalitie en programma zijn gang naar de stembus heeft geleid. Zoals al vaker geconstateerd: in Nederland stemt de kiezer, maar hij kiest niet. Dat wordt voor hem gedaan.

Het is een illusie te denken dat dit na de volgende verkiezingen allemaal voorbij is nu de Tweede Kamer het eens is geworden over een wijziging van het eigen reglement van orde, waardoor niet langer het staatshoofd maar de Kamer zelf de (in)formateur kan aanwijzen. Het qua politieke partijen zeer verbrokkelde Nederland is nu eenmaal aangewezen op coalitiekabinetten. De formatie hiervan vergt tactiek, radiostilte en tijd. Het recht dat de Kamer zichzelf nu heeft verleend, zal hier geen verandering in aanbrengen.

Dit neemt niet weg dat met het door de Tweede Kamer aanwijzen van de informateur een terechte, principiële stap wordt gezet. Het is niet aan het door een bloedband aangewezen staatshoofd, maar aan de democratisch gekozen volksvertegenwoordiging om te bepalen wat voor een kabinet er gevormd dient te worden. Natuurlijk is het zo dat dit nu in de praktijk ook al het geval is – het staatshoofd volgt de meerderheid van de openbare adviezen van de fractievoorzitters – maar juist daarom is er alle reden om deze praktijk te formaliseren. Temeer daar gaandeweg de kabinetsformatie de adviezen van de politieke leiders de neiging hebben minder eenduidig te worden en daardoor de ruimte voor het ongekozen staatshoofd groter wordt.

De Tweede Kamer heeft sinds 1971 met de aanvaarding van de motie-Kolfschoten al de mogelijkheid zich uit te spreken over de formatie. Maar daarbij gaat het om een advies aan het staatshoofd. De stap waar een ruime meerderheid van de Kamer zich achter heeft geschaard, betekent dat het staatshoofd geen rol meer speelt tot aan de beëdiging van het nieuwe kabinet.

De staatsrechtelijke verhoudingen zijn hiermee helderder. Maar de wijziging van het Kamerreglement is zeker geen garantie voor een transparanter formatieproces. Dat hangt toch af van de politici zelf. Zolang die in meerderheid blijven weigeren bijvoorbeeld reeds voor de verkiezingen aan te geven welke coalitie zij willen sluiten, blijft de formatie de door Drees genoemde zwakke plek in de politiek.