Een half jaar de borst: irreëel?

Jonge moeders zorgen het beste voor hun baby als ze een half jaar borstvoeding geven. Dat is het advies van de Wereldgezondheidsorganisatie. Maar in de Westerse wereld lukt dat bijna niet.

Hester van Santen

Geef een half jaar borstvoeding, adviseert de Wereldgezondheidsorganisatie. En geef helemaal niets anders, niet eens water, tot de baby zes maanden oud is. In Nederland is dat ook wat de consultatiebureaus aan jonge moeders schrijven: ‘Het eerste half jaar heeft je baby geen ander eten nodig dan jouw melk.’

Maar om dat zo aan moeders en hun partners te adviseren, is ‘niet zinvol’. Dat concluderen Britse gezondheidskundigen in een artikel dat vorige week online is verschenen in het medisch-wetenschappelijke tijdschrift BMJ Open. Ze interviewden 36 jonge moeders in Schotland – niet de moeders die op deze pagina spreken – en 26 partners, en herhaalden dat maandelijks een half jaar lang.

Wat bleek: hoewel veel jonge ouders het ideaalbeeld deelden van maandenlang borstvoeding geven, was de praktijk heel anders – en daar waren de ouders niet goed op voorbereid. Het vele nachtelijke voeden. De moeite om de baby goed ‘aan te leggen’ aan de borst. Het kolven op het werk. Het advies van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) promoten, wordt door ouders gezien ‘als een opdracht waaraan ze onmogelijk kunnen voldoen’.

Rhona McInnes van de University of Stirling, een van de auteurs van de studie: „We weten dat een half jaar borstvoeding het best is voor baby’s. Maar een beetje borstvoeding is beter dan helemaal niks. En dat laatste aspect gaat nu verloren.” Moeders zouden juist in de eerste weken meer begeleiding moeten krijgen, want juist dan stoppen veel moeders met borstvoeding. McInnes: „Het WHO-advies was oorspronkelijk bedoeld voor beleidsmakers. Maar nu wordt het zo ook aan ouders verteld.”

De Nederlandse zorg voor jonge moeders is anders georganiseerd dan in het Verenigd Koninkrijk. Britse moeders brengen de eerste paar dagen meestal door in het ziekenhuis, de meeste Nederlandse moeders zijn thuis. En Groot-Brittannië kent geen kraamverzorgsters, die in Nederland de eerste week na de geboorte zes tot acht uur per dag bij jonge moeders thuis zijn.

Maar ondanks die intensievere zorg na de geboorte, haken Nederlandse borstvoedende moeders óók snel af. De meest recente cijfers (uit 2010): 74 procent van de moeders begint met borstvoeding. Na een maand geeft nog 47 procent moedermelk, na drie maanden nog 31 procent. Sinds 2007 zijn die cijfers niet verbeterd, ondanks overheidsinitiatieven uit het Masterplan borstvoeding 2008 - 2011.

„We weten dat vrouwen in de eerste maand vooral stoppen omdat ze ‘te weinig melk hebben’. Maar wat dat precies betekent, is onbekend”, vertelt Caren Lanting, arts-epidemioloog van TNO. Ze doet al jaren onderzoek naar borstvoeding. Na een aantal maanden stoppen vrouwen vooral om praktische redenen, zoals de combinatie met werk.

„Wat precies de knelpunten zijn, weten we niet”, zegt Lanting. „Maar wat je hoort, is dat vrouwen ervaren dat ze van zorgverleners tegengestelde adviezen krijgen.” Sinds kort is er daarom een richtlijn borstvoeding voor alle hulpverleners rond de geboorte. „Zodat iedereen weet wat de beste manier is om met problemen om te gaan.”

Waar het in de Britse studie niet om ging, is de vraag óf het wel nodig is om zes maanden lang niets anders dan borstvoeding te geven. Het RIVM houdt het erop dat ‘in het algemeen geldt dat het positieve effect groter is naarmate er langer (uitsluitend) borstvoeding wordt gegeven’.