Afwijking van het patroon

Meer en meer begint het erop te lijken alsof de zeventig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog een periode in het geheel van de Nederlandse geschiedenis is geweest die afweek van het algemene patroon, en dat patroon week weer af van dat welk andere Europese landen volgden: territoriale expansie. Nederland daarentegen onthield zich daarvan – ook toen het een grote mogendheid was en gelegenheid had zijn territoir zuid- of oostwaarts uit te breiden.

Over het algemeen werd het devies van de grote staatsman Jan de Witt gevolgd dat het belang van Nederland daarin gelegen was dat er overal rust en vrede was en dat de handel onverhinderd gedreven kon worden. Daar was geen greintje pacifisme bij, want wanneer de vrije vaart op zee bedreigd werd, werden zonder bezwaar oorlogen gevoerd, bijvoorbeeld vijf tegen Engeland in anderhalve eeuw.

En het Nederlandse imperium dan? Was dat geen bewijs dat Nederland wel degelijk op expansie uit was? Ja, maar ook hier prevaleerde het handelsbelang. Die koloniën waren aanvankelijk, in de ware zin des woords, wingewesten, en daarvoor waren alleen maar een paar nederzettingen aan de kust nodig. Het binnenland werd lang met rust gelaten.

Ook voerde Nederland wel oorlogen om het evenwicht tussen omringende mogendheden te behouden, want dat evenwicht was de garantie van zijn onafhankelijkheid, maar werd voortdurend bedreigd, vooral door Frankrijks hegemoniale lusten. Kortom: als het kon, liefst onthouding, geen engagement, maar het kon niet altijd.

Pas toen, na de Franse tijd en na het verlies van België, Nederland definitief een kleine mogendheid was geworden, kon het zich veroorloven die onthouding tot beginsel van zijn buitenlandse politiek te maken. Nederland trad een eeuw van behoedzame neutraliteit in, die heeft geduurd tot het in mei 1940 met geweld in een oorlog werd betrokken.

De keuze die na het einde van die oorlog werd gemaakt – overigens niet direct – was het tegenovergestelde van onthouding. In 1948 brak het formeel met zijn neutraliteitspolitiek door toe te treden tot een bondgenootschap met Frankrijk, Engeland, België en Luxemburg. Een jaar later ondertekende het het Noord-Atlantisch verdrag. Weer een jaar later, in 1950, sloot het zich – zij het aanvankelijk aarzelend – aan bij het streven naar Europese eenheid op supranationale basis. De breuk met de periode van onthouding kon niet groter zijn.

Die politiek van engagement kon vertrouwen op een consensus onder de bevolking. Wel waren er verschillen van mening over de prioriteit die hetzij de Europese hetzij de Atlantische binding binnen die politiek moest hebben, maar het beginsel van engagement zelf werd daardoor niet aangetast. Voor velen was dat engagement inderdaad eerder een kwestie van beginsel, ideologie dus, dan van belang.

De laatste jaren is er de klad in die politiek gekomen. Het Atlantisch engagement nam af. Nederland trok zich terug uit Afghanistan, en in Libië bepaalde het zijn engagement tot het vrijhouden van het luchtruim (wat gemakkelijk kon, omdat anderen de Libische luchtmacht al hadden uitgeschakeld). In Europa is het steeds meer dwars gaan liggen, tot verbazing van zijn partners, die slechts een Nederlands engagement hadden gekend.

De grote verrassing kwam in 2005, toen Nederland bij referendum met grote meerderheid de Europese grondwet afwees. Dat was ruim vijf jaar vóór het door Wilders gegijzelde kabinet-Rutte. De afkeer van Europa onder de bevolking bleek toen voor het eerst en is sindsdien alleen maar sterker geworden. Keert Nederland terug tot een politiek van onthouding en zijn die zeventig jaar van engagement een afwijking van het algemeen patroon geweest? Worden de oude karresporen weer zichtbaar onder het asfalt dat na 1945 werd gelegd (om een beeldspraak te ontlenen aan de historicus M.C. Brands, die haar dertig jaar geleden in een ander verband gebruikte)?

Zo ja, hoe komt dat? Heeft het einde van het zuilenstelsel ook destabiliserend, zo niet desintegrerend op de buitenlandse politiek gewerkt? Onder dat zuilenstelsel was de burger over ‘t algemeen volgzaam, zeker wat de buitenlandse politiek betreft. Nu dit stelsel ingestort is, heeft hij zich geëmancipeerd. Een overwinning voor de democratie, maar ook voor Nederlands plaats in de wereld?

Maar ook elders zijn er tekenen dat de laatste zeventig jaar als een afwijking van het patroon moeten worden beschouwd. In een artikel in de International Herald Tribune van 16 maart acht de historicus Paul Kennedy, auteur van The Rise and Fall of the Great Powers (1987) het niet onmogelijk dat de VS, „na bijna zeventig jaar van ongewone en kunstmatige wereldheerschappij, zullen terugkeren naar hun ‘natuurlijke’ plaats in de wereld”.

Het is, per slot van rekening, „absurd dat één land welks bevolking 4,5 procent van de wereldbevolking uitmaakt en ongeveer 20 procent van de wereldproductie, bijna de helft van ‘s werelds militaire uitgaven voor zijn rekening neemt”. Ook dit engagement kan niet eeuwig duren. De gevolgen voor de wereld van een Amerikaans isolationisme of unilateralisme zullen natuurlijk oneindig groter zijn dan die van een Nederlandse breuk met zijn internationaal engagement – maar niet voor Nederland zelf. Dat zal de gevolgen van een eigen isolement al genoeg te merken krijgen.

P.S.: In mijn column van vorige week stond de zin: „Op dit ogenblik ziet het ernaar uit dat de democratie het wint van de behoefte aan, ja noodzaak van, democratie.” Dit laatste woord had ‘integratie’ moeten zijn.