Taal was echt ons ding

Het schrappen van complete talenstudies als Frans en Duits holt de zo beroemde talenkennis van Nederland uit.

Tal van Europese talen, waaronder Frans, Duits, Italiaans en Portugees, zullen, als de plannen doorgaan, niet of nauwelijks meer op bachelorniveau aan Nederlandse universiteiten kunnen worden gestudeerd, behalve met enig geluk als onderdeel van algemene opleidingen ‘taal, cultuur en media’ (alsof die laatste categorie niet al onder taal en cultuur valt). Een snufje Duits, een vleugje Portugees, een wolkje Russisch wellicht, net genoeg om de besluiteloze jonge mens te laten ontdekken wat hij nu eigenlijk écht wil studeren.

Vroeger had je daar het vwo voor. Maar terwijl de studieduur van wetenschappelijke opleidingen fors werd bekort, wordt de blijmoedige ontdekkingsfase juist steeds verder uitgerekt, zowel in de lengte als in de breedte. Volgens de strategische agenda van staatssecretaris Zijlstra (Onderwijs, VVD) vermindert dat de kans op uitval, en misschien klopt dat wel, maar het vermeerdert in elk geval de kans op onkunde. Grondige kennis van bijvoorbeeld de Franse taal en cultuur die de student eerst in vier jaar hard werken opdeed, kan onmogelijk in twee of drie jaar worden geperst. Gevolg: de student weet na zijn studie misschien wat hij leuk vindt, maar voor de arbeidsmarkt is zijn specialisme niet interessant. Nog meer dan voorheen is hij ‘generalist’, iemand van wie het niet uitmaakt wat hij heeft gestudeerd.

Terwijl dat bij een talenstudie juist wel zou moeten uitmaken. Europa heeft volgens Umberto Eco nu een gemeenschappelijke taal, slecht Engels, maar met goed Engels kom je als exporterende Nederlander een stuk verder, en in Frankrijk geeft beheersing van het Frans nog altijd een concurrentievoordeel, zoals iedereen weet die weleens in het Engels een stokbrood probeert te bestellen. Een klein, exportgericht land vaart wel bij zijn talenkennis en kan internationaal alleen gewicht in de schaal leggen door zich open te stellen voor de grote buitenwereld. Het Nederlandse bedrijfsleven is zich daar wel van bewust: talenkennis wordt als een van de belangrijkste pre’s voor de buitenlandse handel gezien.

Lange tijd genoot de Nederlandse talenkennis wereldfaam, of in elk geval dachten we dat zelf – wat al aangeeft dat we er belang aan hechtten, omdat we wisten dat het wat opleverde. De gestage afkalving heeft veel te maken met de veranderde opvatting van taal en het aanleren ervan op de middelbare school. Eerst kwam er de zogenaamde ‘communicatieve’ lesmethode, die erop neerkomt dat het niet uitmaakt wat je zegt, als je dat stokbrood er maar mee kunt bemachtigen. Boeken en grammatica werden te belastend geacht voor de kwetsbare kinderziel, met als gevolg een grote culturele en analytische sprong achterwaarts, die nu aan de universiteit moet worden ingehaald.

Toen kwamen er vertaalmachines als Google Translate, die weliswaar de grootste onzin voortbrengen, maar toch de verwachting wekken dat het allemaal slechts een kwestie van tijd is voordat Proust machinaal kan worden omgezet – waarmee de noodzaak van verdieping in een taal en cultuur nog verder wordt ondermijnd. Het Amerikaanse leger experimenteert serieus met vertaalmachines op de loop van geweren, het Franse ministerie van Cultuur wilde alle buitenlandse correspondentie automatisch in de juiste taal laten vertalen. Het is allemaal tot mislukken gedoemd, om redenen die niets met rekenkracht te maken hebben, maar het blinde technische vooruitgangsdenken is onstuitbaar.

Daar staan even simpele als krachtige sociologische wetmatigheden tegenover. Neem mijn eigen vakgebied, het geschreven woord. Kleinere talen importeren doorgaans meer buitenlandse boeken dan grotere. Ter vergelijking: in het Angelsaksische taalgebied bedraagt het aantal vertalingen hooguit 3 procent van de totale boekproductie, bij ons is dat zo’n 35 en in Denemarken zelfs 60 procent (voor literatuur liggen die percentages nog hoger). Dat is niet omdat er een gebrek aan schrijvers in de eigen taal is, maar omdat de economische, politieke en culturele overlevingskansen van kleine talen en culturen groter zijn naarmate ze meer over de grens kijken.

Culturen zijn nooit afgesloten en nooit af, het zijn open systemen waarin tal van uiteenlopende, vaak zelfs tegenstrijdige stromingen bruisen. (Dat maakt trouwens ook de afschaffing van het dubbele paspoort zo kortzichtig en gevaarlijk: mensen hebben altijd meerdere sociale bindingen en juist het verbieden daarvan werkt conflicten in de hand.)

De dialoog tussen het vreemde (en een vreemde taal bevat automatisch een vreemde blik op de wereld) en het eigene is een dynamisch proces, waarin zowel het vreemde als het eigene een voortdurende transformatie ondergaat. Nergens zie je dat zo sterk als bij het vertalen van literatuur. Maar voor het succes van dat proces is eerst een diepe onderdompeling in zowel het vreemde als het eigene nodig. Halbe Zijlstra, kijk over de muur en red de talenstudies.

Martin de Haan is vertaler van o.a. Michel Houellebecq en Milan Kundera, co-auteur van het Vertaalpleidooi en voorzitter van de Europese vertalersraad CEATL.