Stemmen uit de hoorn

Er zijn al ondernemers die voor hun telemarketing geen mensen van vlees en bloed gebruiken, maar computers. Praatrobots. Krijg je ‘iemand’ aan de lijn die maar doorpraat, wat je ook zegt.

- Even voor de zekerheid, u bént toch meneer Kuitenbrouwer?

- Zeg, piss off met je bandje.

- Oké! Altijd goed om even te checken! Meneer Kuitenbrouwer, ik ben in de gelegenheid om u een buitengewoon aantrekkelijk aanbod te doen.

- Ja, en bidden helpt tegen wintertenen.

- Aha! Ik dácht wel dat u daar meer over zou willen weten!

Zo’n robot is in elk geval nog goed te verstaan, het valt me op dat als je tegenwoordig door een heus mensch gebeld wordt, je aanvankelijk vaak geen idee hebt wat je hoort.

- Hallo?

- Jallo, mané uidewam, spray medda rode kool hamsedam. Spray mané uidewam?

- Sorry?

- Spray ma fou iekema, pojekammistasie rode kool hamsedam. Gadefa ovun rékaning.

Aan de lijn is mevrouw Hielkema van de Hogeschool van Amsterdam, die iets wil weten over een factuur. Ik beweer niet dat mevrouw Hielkema spreekt zoals hierboven, ik beschrijf wat ik hoorde toen ik opnam. Mevrouw Hielkema is ook niet Chinees of Oegandees, ze komt gewoon uit Noord-Holland, en als je haar frequentie op de oneindige radioschaal van het menselijk stemgeluid eenmaal hebt gevonden, blijkt een gesprek best mogelijk. Het probleem is dat de inspanning vaak niet wederzijds is. Mevrouw Hielkema hoort dat er wordt opgenomen en zet haar stem aan, alsof zij zo’n praatrobot is. Alsof ze het tegen een collega heeft, aan het bureau naast haar. Die haar kent, die haar kan zien, die weet waar ze het doorgaans over heeft, allemaal cues die ik aan deze kant van de lijn moet missen. „Mané uidewam…” Eh… taal? Onderwerp?

Internet en telefonie zijn een soort waterleiding geworden. En zoals we voor ieder wissewasje gedachteloos de waterkraan opendraaien (en per dag genoeg water verspillen om een gezin in de Sahel te drenken) doen we dat met de communicatiekraan ook. Aan-uit.

Vroeger werden de kinderen de kamer uitgestuurd als vader moest telefoneren en als een superieur belde, ging hij staan en trok zijn vest recht. Die tijd is voorbij, maar sommige mensen hebben het decorum wel erg drastisch gereduceerd. Zeg maar: geheel overboord gegooid. Als je door zo iemand wordt gebeld, krijg je het idee dat je rechtstreeks bent aangesloten op de hersenschors, zonder tussenkomst van het spraakcentrum.

- Hallo?

- Hela hoeda midda, minir… katebaberrr! Meinamis haza hollebo! Hevu mentje maku efa lassifalle?

Bij e-mail zie je het ook. De ontwerpers van de eerste e-mailsoftware zochten naar een digitale variant van het decorum van de papieren briefwisseling. Je kon kiezen uit diverse soorten gestileerd ‘briefpapier’. Maar ze vergisten zich, ik geloof niet dat ik ooit een mailtje uit dat assortiment heb ontvangen. Een mailtje ís nu eenmaal geen brief.

Wat het wel is, valt vaak moeilijk te zeggen. In grote organisaties kunnen mailcircuits zich ontwikkelen tot een soort parallelle werkelijkheid. Een soort alfanumerieke liftmuziek. ASCII-ruis. Chinese whispers van reacties op reacties op reacties. Re:Re:Re:Re:Re:Re:Re: ja, OK. Vrijblijvend en tegelijk levensgevaarlijk, omdat alles zwart op wit staat. Plus een geweldige bron van afleiding. Wie een mailtje leest, heeft daarna 64 seconden nodig om zich weer te concentreren op wat hij aan het doen was. Slecht gemanaged kan e-mail een vernietigend werktuig worden, zegt Thierry Breton, de baas van Atos, een van de grootste automatiseerders ter wereld (80.000 werknemers in 40 landen). Breton heeft e-mailverkeer nu verboden, zijn mensen krijgen een jaar om af te kicken. „Wie iets te zeggen heeft belt, sms’t of komt langs.”

Het is de paradox van de communicatiesamenleving: op een gegeven moment ben je zó verbonden dat je geen verbinding meer maakt.