In Libanon praat je niet over Syrië

Het is een wonder dat Libanon, dat opgesplitst blijft in een pro- en anti-Syrisch kamp, nog niet is ontploft.

Correspondent Noord-Afrika

Beiroet. De 34-jarige Libanees Wael Nourredine overweegt ernstig om zich bij de shabiha te voegen, de milities die in Syrië president Assads regime verdedigen. Maar omdat hij filmmaker is, wil hij in de eerste plaats in Syrië gaan filmen. „Ik neem wel een handgranaat mee voor het geval ik in handen van de salafisten val.” Salafisten zijn ultraorthodoxe sunnieten.

Het gesprek vindt plaats in Café de Prague, een bekende plek in de uitgaanswijk Hamra in Beiroet. Sinds het begin van de Syrische opstand is het beduidend minder druk in het café. Een deel van hip Beiroet boycot het café omdat het geldt als pro-Assad. „Het klopt dat we hier in een wijk zitten die gecontroleerd wordt door de Syrische Sociaal-Nationalistische Partij”, zegt Nourredine. „Je moet bij wijze van spreken toestemming aan de SSNP vragen om hier te mogen plassen.”

Zelf boycot hij de Prague normaal ook, „maar dan om de prijzen: drie euro voor een espresso is belachelijk”. Nourredine ziet zichzelf niet als een Assad-aanhanger. „Mensen denken al snel dat ik een fascistische christen ben als ik mijn betoog houd.”

In werkelijkheid is Nourredine van shi’itische komaf en een uitgesproken atheïst. En hoewel Assads regime de bondgenoot is van Hezbollah, de grootste shi’itische partij in Libanon, is het juist vanuit zijn atheïsme dat Nourredine zich tegen de opstandelingen in Syrië heeft gekeerd.

„Jullie in Europa zien wat er in Syrië gebeurt als onderdeel van de Arabische Lente, een beweging die ruim een jaar oud is. Ik zie het als onderdeel van 1.400 jaar islam, en als die opstandelingen Assads regime omverwerpen, zie ik geen andere uitkomst dan een salafistische staat waarin geen plaats zal zijn voor minderheden of andersdenkenden.”

Voor Libanon komt de opstand in Syrië erg ongelegen. De afgelopen vier jaar kende het land een economische groei van 7,5 procent; vorig jaar is die mede door de crisis in Syrië teruggevallen tot 1,5 procent.

De relatieve stabiliteit heeft geleid tot een enorme bouwwoede en een explosie van het nachtleven.

De Beirut Souks, een gloednieuw luxueus winkelcentrum, is een hoogmis van de consumptiedrang waarmee Libanon synoniem is geworden.

Al die glitter doet soms vreemd aan, op 150 kilometer van Homs in Syrië. „Men voert ons dronken met al dat consumeren”, zegt Cynthia Daher (31), een consulente, „zodat we niet hoeven na te denken over de toekomst van ons land.”

Syrië, zegt Daher, is het nieuwe taboe. „Syrië heeft in Libanon zoveel politieke associaties dat de mensen er liever helemaal niet over praten.”

Het wordt makkelijk vergeten dat Libanon in 2005 al zijn ‘Arabische lente’ meemaakte. De moord op de sunnitische oud-premier Rafiq Hariri, toegeschreven aan Syrië, leidde tot zulk straatprotest dat de Syrische bezetter zich gedwongen zag om Libanon na dertig jaar te verlaten. Het was het eerste voorbeeld van succesvolle ‘people power’ in de Arabische wereld.

Maar democratisering bleef uit, en toen de vlam in 2011 elders in de pan sloeg, leek Libanon, met zijn eeuwig bekvechtende sektarische politici, eerder tot de oude dan de nieuwe Arabische wereld te horen.

Hoewel de Syrische troepen zijn vertrokken, blijft het land verdeeld in een pro- en een anti-Syrisch kamp. Het eerste blok is overwegend shi’itisch, het tweede sunnitisch. De christenen zijn verdeeld over beide kampen. In 2008 kwam het bijna tot een nieuwe burgeroorlog toen Hezbollah kortstondig sunnitisch West-Beiroet bezette.

Met die achtergrond mag het een wonder heten dat Libanon het afgelopen jaar niet is ontploft. „Dat heeft alles te maken met de koelbloedigheid van de grote partijen”, zegt Ahmed Fatfat, ex-minister en nu parlementslid van de sunnitische Toekomstpartij van Saad Hariri, zoon van de vermoorde premier.

Koelbloedigheid is niet een eigenschap die vaak aan Libanese politici wordt toegeschreven.

Maar inderdaad heeft het afgelopen jaar geen van beide kampen opgeroepen tot een massabetoging voor of tegen Assad. „Iedereen beseft dat niemand er belang bij heeft dat het Syrische conflict overslaat naar Libanon”, zegt Fatfat. „Niemand heeft zin in een herhaling van de Libanese burgeroorlog.”

Waar het echt over gaat, mag niet hardop gezegd worden. Als Assads regime valt, is Hezbollah zijn voornaamste bondgenoot in de regio kwijt. Met een sunnitisch regime in Damascus komt de droom van het anti-Syrische kamp om Hezbollah te ontwapenen een stap dichterbij.

Hezbollah is de enige militie die na de burgeroorlog haar wapens mocht behouden in het kader van de strijd tegen Israël. Dat geeft haar een buitengewoon gewicht in de Libanese politiek. Intussen probeert de Libanese regering van nationale eenheid geen kant te kiezen. Libanon onthoudt zich bij alle stemmingen over Syrië. Het was afwezig op de Assad-vijandige ‘Vrienden van Syrië’-conferentie in Tunesië en het gaat ook niet naar de alternatieve ‘Vrienden van Syrië’-conferentie in Iran. Er worden geen kampen ingericht voor de Syrische vluchtelingen omdat Hezbollah dat niet wil, maar wel wordt getolereerd dat de Syrische rebellen Noord-Libanon gebruiken als uitvalsbasis.

In het sunnitische kamp, dat verzwakt uit het Doha-vredesakkoord kwam, is een nieuwe leider opgestaan: de salafistische sjeik Ahmad al-Assir uit Sidon.

Toen die twee weken geleden voor het eerst een anti-Assad-betoging leidde in de hoofdstad hielden veel inwoners van Beiroet hun hart vast. Uiteindelijk liep het goed af: zo’n tweeduizend salafisten marcheerden keurig door het centrum, terwijl leger en politie zo’n tweehonderd aanhangers van Assad op afstand hielden.

De volgende dag was hét gespreksonderwerp een meisje in een strak oranje truitje dat in de betoging van de salafisten was gesignaleerd.

Het bleek te gaan om een fotoshoot van kunstenares Randa Mirza. Zij wilde hiermee een statement maken over „fundamentalisme en consumptiedrang, over het Westen en de islam”.