Een Godsvermogen

‘Ontmantelen en opdoeken’, zo klonk het maandagavond aan de borreltafel. Er zat hier en daar al wat bier in, maar de reflex van de aanwezigen, die doorgaans best gematigd zijn, was ongemeen fel. De zoveelste misbruikzaak in de Rooms-Katholieke Kerk die deze krant zaterdag had opgerakeld, en de eerste waarin vervolgens sprake bleek van een castratie van het slachtoffertje, maakt reacties van walging en woede los.

Ontmantelen van de kerk (hier los te zien van het geloof) is onmogelijk – zelfs als je het zou willen. Er is hier sprake van een ondoorzichtige particuliere organisatie buiten het domein van de openbaarheid (en de belastingdienst), en met als hoofdzetel een soevereine staat in het hart van Rome. Maar de hypothese is wél interessant. Want wat hou je over als je, in theorie, de zaak zou opdoeken?

Over de rijkdom van de rooms-katholieke kerk gaan de meest wilde verhalen. De meeste schattingen die circuleren grijpen uiteindelijk terug op The Vatican Billions van de Italiaanse schrijver Avro Manhattan, maar de eerste druk van dat boek verscheen in 1983 en de schrijver overleed zeven jaar daarna. Hopeloos verouderd, en dat geldt ook voor de bedragen (0,6 miljard dollar voor het aartsbisdom Boston), die desondanks een hardnekkig leven blijven leiden.

Een andere versie is die van de kerk zelf: die heeft moeite de eindjes aan elkaar te knopen en is voor de lopende uitgaven vaak afhankelijk van giften, legaten, collectes of – zoals in Duitsland – belastinginkomsten. De buitenwereld ziet daarentegen de schatten, de grond, de gebouwen, de kunstwerken en een enkele keer de beleggingen. Maar over de omvang, en hoe de zaken zich tot elkaar verhouden, is het slechts gissen. Er zijn arme bisdommen en rijke bisdommen, die financieel weinig met elkaar te maken hebben. ‘De kerk’ is geen financiële monoliet.

Een zeldzame aanwijzing is een artikel uit 2010 in het Duitse blad Der Spiegel, waarin de bezittingen van alleen al het bisdom Keulen werden geschat op ‘enkele miljarden euro’s’, waarvan ruim een miljard aan aandelenbezit. Maar misschien is een andere denkroute.

Twee jaar geleden werd L’homme qui marche I, van Giacometti bij Sotheby’s verkocht voor het recordbedrag van 103 miljoen dollar (80 miljoen euro). Dat werpt de vraag op hoeveel de Pietà, het magistrale werk van Michelangelo, in godsnaam waard zou zijn. En hoeveel de honderden, duizenden, talloze andere beelden, schilderijen en kunstschatten zouden opbrengen – zonder de markt te bederven, natuurlijk. De grond waarop alles staat, de financiële reserves.

Er is nooit een goede schatting van geweest. Wat zou een fictieve accountant met het pistool op de borst, die overal toegang tot kreeg, onder de streep zetten aan de linkerkant van de balans van ‘de kerk’? Wie logisch nadenkt komt niet op tientallen miljarden euro’s maar op honderden miljarden of zelfs nog een factor tien meer.

Dat zal niet het zelfbeeld zijn van de Roomse kerk. Dat is er meer een van het cliché van de verarmde adel. Van buitenaf lijkt het landgoed heel wat, maar het onderhoud en afschrijvingen zorgen er voor dat veel van de bezitters een veel kariger leven moeten leiden dan gedacht. Tegelijk liggen in de kluis de juwelen van generaties her, die een fortuin vertegenwoordigen. Maar het is onbestaanbaar dat dit verborgen kapitaal ooit te gelde wordt gemaakt, omdat daarmee ook de bestaansreden van de hele onderneming zou wegvallen.

De kerk doet arm, is rijk. Doet het er toe? Ja. Aan wie, als slachtoffer of nabestaande, ooit een schadeclaim mocht overwegen, hier het volgende advies:

Hou je vooral niet in.

Maarten Schinkel