De crisis is afgewend en dat is heel slecht nieuws

De generatie-ik heeft zich de kans op een eigen protestbeweging laten ontnemen.

Filosoof en historicus

In mijn omgeving treurt niemand om de dood van Occupy. Geen generatiegenoot maalt om de open brandbrief van voormalig Goldman Sachs-medewerker Greg Smith. En al helemaal niemand verzet zich tegen de schuldsanering van Griekenland, terwijl studeren hier langzaamaan onbetaalbaar wordt. „Elke morgen sta ik op”, zei Gerrit Komrij onlangs in Vrij Nederland, „kijk ik naar buiten en zie tot mijn verbazing dat de massa’s niet op straat gekomen zijn.” Mij verbaast dat niets. Zelfs het betreuren is verdwenen. Het is het gevolg van het recente failliet van het ideologische alternatief voor het kapitalisme in Europa. Kosten: op zijn minst 130 miljard euro.

De kern van het westerse denken was eeuwenlang de dialectiek. Dialectiek is een duur woord voor het denken vanuit twee polen. Athene versus Sparta, de idealisten tegenover de realisten, The Beatles tegen The Rolling Stones. Dergelijke dialectische tegenstellingen werden gekenmerkt door een opwaartse beweging. Er was een these, bijvoorbeeld: ‘Alle mannen hebben stemrecht.’ Bij deze these hoorde een antithese: ‘Ook vrouwen hebben recht op stemrecht.’ Deze antithese kwam voort uit een achterliggende kracht, opgewekt door afwijkende denkbeelden, zoals het streven naar gerechtigheid en gelijkstelling van geslachten. Door inspanningen leidden these en antithese tot een synthese, een nieuw denkbeeld: ‘Mannen én vrouwen hebben recht op stemrecht.’ Via een strijd werden deze these en antithese opgeheven in deze nieuwe situatie. De politiek liep hierin achter de maatschappij aan. Vrouwen kregen stemrecht via wetgeving omdat de mensen dat wilden – ze hadden het elders gezien, of bedacht. Na de synthese begon het proces opnieuw, met een nieuwe vraag: hoe oud moesten die mensen met stemrecht dan zijn?

In de geschiedenis van Europa zien we deze tegenstellingen in verschillende vormen en op verschillende niveaus terug, maar in 1989 – met de val van de Muur – verandert er iets, en wel op het hoogste niveau. De val van de Muur betekende het einde van het communisme, en daarmee werd de antithese van het kapitalisme opgeheven. Het idee dat productiemiddelen privébezit zijn, is nu zo wijdverbreid, dat je zelfs in landelijk Groningen geen communist meer vinden kunt. De enige tegenstellingen die de westerse ideologie nu nog kent, bestaan bínnen de heersende these: marktkapitalisme versus casinokapitalisme. Zeg maar: een Ferrari met of een Ferrari zonder roetfilter. Een baan bij ABN Amro versus die baan bij Goldman Sachs. Het is bijna onmogelijk de huidige situatie van buiten te bekijken.

De laatste grootschalige en maatschappelijk breed gedragen protesten tegen een heersende ideologie dateren niet toevallig van vóór de val van de Muur: de marsen tegen de atoombewapening uit de jaren tachtig en de progressieve bewegingen uit de jaren zestig – van de Mars naar Washington tot de Maagdenhuisbezetting. Het waren decennia waarin er nog alternatieven bestonden, hoe besmet die wellicht ook waren, en er dus iets was om voor te strijden. Die antithesen zijn nu uit de maatschappij verdwenen. Ze hebben sinds de jaren negentig plaatsgemaakt voor een allesomvattend kapitalisme.

Mijn generatie is de meest sprekende vertegenwoordiger. Het merendeel van mijn leeftijdsgenoten is van na de val van de Muur en opgegroeid tijdens de hoogmis van het kapitalisme. We zijn apolitiek: representanten van een maatschappij die volwassen is geworden zonder god of emancipatie-idealen en zich weinig tot niet verbonden voelt met de overheid. Een blik op mijn eigen omgeving geeft een goed beeld van deze tendens: mijn vrienden hebben gestudeerd aan de beste universiteiten van Europa en Amerika en zijn goed toegerust voor de mondiale concurrentieslag om de beste banen. We zijn wat mijn vriend John-Alexander de paspoortgeneratie noemt (zelf spreken sommigen van ons in dit verband liever – en nogal typerend – over de ‘generatie ik’): ons contact met de overheid beperkt zich tot de zoveel-jaarlijkse vernieuwing van ons identiteitsbewijs aan het gemeenteloket. Een document dat ons de toegang verschaft tot een baan in de City in Londen, of een langdurig werkverband in Singapore. Een weekend in Berlijn of Stockholm.Maar wel het speelplein van de hebzucht.

Onbewust en bewust houden we elkaar op onze Facebookprofielen deze levensstijl voor (ook ik dump de sterretjes voor mijn laatste roman, de verkoopcijfers en mijn vakantiefoto’s op het internet). En zo naaien we elkaar op. We hebben geen voorbeeld aan de oudere generatie, omdat die net zo in het systeem verstrikt zit als wij. Iedereen die de afgelopen twintig jaar carrière maakte, denkt zo. Het is de grondtoon van onze maatschappij geworden.

Elke avond kijken we weer naar Jeroen Pauw of Jort Kelder of Beau van Erven Dorens, met hun goede koppen en tonnen op hun bankrekening en denken: dat willen wij ook. Want de heersende stelling is: je bent wat alleen jij bezit. Je bent je particuliere kapitaal.

En wat je bezit, moet je kunnen betalen. Veiligheid, voedsel, onderdak, onderwijs: dat hebben de meesten van ons wel. Dus ga je voor de luxe. De roem. Het hoogste salaris. Nog meer koopkracht.

En zingeving? Die koop je ook: in je yoga, je mindfulness, je meditatie en je hardlopen. Met je particuliere kapitaal. En gek is dat niet, want: er wordt ons nauwelijks een alternatief geboden. Of wel?

Let’s Occupy, las ik vorige week op een door zonblaren geteisterde sticker op een stoplicht in Maastricht. Maar let’s occupy wat? Het is lastig bezit te nemen van een ideologische leegte. Of, beter gezegd: het is lastig een ideologische leegte in te vullen. De antithese van hebzucht en het kapitalisme op te stellen. Al blijkt er, getuige de mondiale opkomst van Occupy, wel behoefte aan. Maar ook Occupy gaf ons, buiten wat filmpjes van sympathieke muzikanten, te weinig.

Waarom Occupy mislukte, is simpel te verklaren Een kleine historische vergelijking met de Provobeweging uit de jaren zestig is genoeg. Zowel Occupy als Provo is een beweging gestoeld op onbehagen: het gevoel dat een oudere generatie een jongere generatie een wereld gaf die veilig leek, maar dat niet was, die één ding leek, maar een gefragmenteerd geheel bleek te zijn – een wereld met rotte hypotheken, waardeloze huizen, kernbommen, failliete staten, corrupte leiders. Een wereld, kortom, die op het punt van opblazen stond. De Provobeweging had een beginselverklaring met een duidelijk doel, een antithese: desperaat verzet tegen deze wereld. Provo wist dat de beweging zelf niet sterk genoeg was om een volledige antithese op te stellen, maar het wilde de mensen bewust maken van de allesoverheersende these van het kapitalisme. En laten zien dat het gezag vaak de grootste vijand is als het gaat om nadenken over antitheses. Om dat denkbeeld te verwoorden, had de beweging leiders. Herkenbare aanspreekpunten voor de media, met een duidelijke boodschap. Wat Occupy heeft, is een malloot – nee, wat wíj hebben, is een malloot die over het Malieveld achter een PowNews-verslaggever aan rent. Dat is geen antithese. Geen boodschap. Dat is onzin. Zo zet Occupy ons niet aan tot denken, maar tot lachen.

Gevolg: we worden wederom niet gedwongen na te denken over alternatieven. We volgen de politiek in plaats van haar te dicteren en zien geen doelen buiten het casinokapitalisme. Wij zijn wat mijn beste vriend Jan zei na het lezen van de Goldman Sachs-brief: „Eerst twaalf jaar je zakken vullen en dan de morele kaart spelen. Houdoe.”

En ergens heeft hij een punt. Waarom zou Greg Smith binnen dit systeem wel zijn zakken mogen vullen en ik niet? Waarom mag hij wel alles kunnen kopen?

Het kapitalistisch systeem is een voorwaarde geworden voor ons welbevinden. De overduidelijke spanning tussen hebzucht en wat ik zijnzucht zou willen noemen, wordt in deze wereld – en dus ook bij mijn leeftijdsgenoten – niet langer in een gevecht tussen die twee polen beslecht: zijnzucht ís hebzucht geworden. De alternatieven die ons worden geboden, vallen buiten de belevingswereld van de meeste mensen.

Ik kom weer uit bij die afwezigheid van het dualisme in denkbeelden. Het huidige systeem, een systeem waarin de dualiteit bestaat uit twee vormen van kapitalisme, is een tweekoppig monster. Een schijndualiteit. Het creëert veelal individuen die enkel voor zichzelf verantwoordelijkheid voelen, die hun identiteit voornamelijk aan hun koopkracht of hun roem ontlenen, en dus met cijfers en mediatrainingen knoeien – en geen enkele spanning zien tussen dat individualisme en de afbrokkeling van onze welvaartstaat. We hebben een premier, die lacht er bij. Het mooiste is: wanneer zijn aanpak vastloopt, wordt het systeem met man en macht in stand gehouden. En waarom? Omdat we zo zijn geprogrammeerd dat we liever onbegrijpelijke offers brengen om het vertrouwde systeem te behouden, dan dat we op zoek gaan naar een nieuw systeem. We zien niet in dat het beste voor iedereen niet een optelsom is van het ‘beste’ voor ieder afzonderlijk individu.

Wat ik wil zeggen: het was crisis en dat was heel goed nieuws. We lagen op ramkoers met een nieuwe antithese. We moesten wel. Het slechte nieuws is dat we met het afwenden van de crisis ons een kans op die nieuwe antithese hebben laten afnemen. Een kans, om Bram Vermeulen te parafraseren, om te durven denken over de vraag of menselijk geluk wellicht niet gedefinieerd kan worden in termen van geld en bezit en kapitaal, maar in termen van vrije wil, verbondenheid, verantwoordelijkheid, en de daarbij behorende vreugde.

Een kans, kortom, om iets te verzinnen waar we later op z’n minst om konden treuren. Of misschien zelfs wel een beetje trots op konden zijn.