De Breuk

Uit woede over het opschorten van Nederlandse ontwikkelingshulp wilde Indonesië in 1992 die hulp helemaal niet meer. Oud-diplomaat Gerard Kramer reconstrueerde in een boek de diplomatieke crisis waarvan Dirk Vlasblom destijds als NRC-correspondent verslag deed.

Als voorzitter van het donorenconsortium bracht Jan Pronk jaarlijks een bezoek aan Indonesië, waar hij ontwikkelingsprojecten bezocht. Hij maakte er een gewoonte van lange gesprekken te voeren met gewone mensen. Zo liet hij eens de stoet dienstauto’s met bestuurders en hoge ambtenaren stilhouden om met een boer in een rijstveld te praten. Zijn kritische vragen bezorgden hem bij de Indonesische bestuurlijke elite de bijnaam ‘inspecteur-generaal’. Foto Dagblad Kompas

De gong voor de laatste ronde klonk op 13 februari 1992. Die dag overhandigde Jan Herman van Roijen, Harer Majesteits nieuwe ambassadeur in Indonesië, in het Merdeka Paleis van Jakarta zijn geloofsbrieven aan president Soeharto. Wat gewoonlijk een diplomatiek routineritueel is, werd een publieke vernedering. Onder het oog van de televisiecamera’s onthaalde Soeharto, toen 70 jaar oud, de Nederlandse gezant op een donderpreek.

„Als een natie die is geboren uit een onafhankelijkheidsoorlog tegen zijn koloniale overheersers, die ons honderden jaren lang onze elementaire rechten ontnamen”, zei Soeharto, „hechten wij groot belang aan onze eer en onafhankelijkheid. Enigerlei poging van andere landen om hun waarden op te leggen aan Indonesië betekent een schending van de mensenrechten en de rechten van een soevereine natie.”

Een ongekende oorvijg, die haaks stond op de diplomatieke mores en de Aziatische gewoonte openlijke confrontaties uit de weg te gaan. Hier was iets heel erg scheef gegaan in de relatie tussen Nederland en zijn voormalige kolonie. Maar wat?

Morgen presenteert Gerard Kramer, oud-diplomaat en in het bewogen jaar 1992 tweede man van de ambassade in Jakarta, een nauwgezette reconstructie, onder de titel Schaakmat in Jakarta – Soeharto’s revanche op de Haagse politiek. Hoofdrolspelers in het drama zijn generaal b.d. Soeharto, in 1992 al een kwart eeuw president van Indonesië, en Jan Pronk, minister voor Ontwikkelingssamenwerking in het derde kabinet-Lubbers.

Tot woede van Indonesië had Pronk op 21 november 1991, op aandringen van de Tweede Kamer, nieuwe ontwikkelingshulp aan het land opgeschort. Dit in afwachting van een „internationaal aanvaardbaar onderzoek” naar het bloedbad dat Indonesische militairen op 12 november 1991 hadden aangericht onder demonstranten in Dili, Oost-Timor. Daarbij vielen ten minste 50 doden en zeker 100 gewonden. Indonesië liet een eigen onderzoek instellen, met voor Indonesische begrippen zeer kritische conclusies, en besloot vier officieren te vervolgen. Den Haag liet weten dit „hoopgevend” te vinden en bereid te zijn de hulp te hervatten. Wel zou het de kwestie Oost-Timor aan de orde stellen in het eerstkomende bilaterale bestedingsoverleg. Maar voor Indonesië was hiermee de kou nog niet uit de lucht. Ze hielden Van Roijen aan het lijntje – hij moest zes weken wachten op het geloofsbrievenritueel.

De donderpreek in het Merdeka Paleis was het requisitoir, op 25 maart volgde het vonnis. Toen overhandigde Radius Prawiro, de Indonesische minister van Economische Zaken, Van Roijen een afschrift van de brief die hij zojuist had verstuurd aan premier Lubbers en de ministers Van den Broek (Buitenlandse Zaken) en Pronk. Daarin bedankte Indonesië voor verdere Nederlandse ontwikkelingshulp en liet het weten dat Nederland het voorzitterschap van de Intergouvernementele Groep voor Indonesië (IGGI), het donorenconsortium, moest opgeven. Indonesië had het Nederlandse voorzitterschap de voorgaande 24 jaar gewaardeerd en het was erkentelijk voor de hulp. Maar de bilaterale betrekkingen zouden „drastisch zijn verslechterd” door de „roekeloze manier” waarop Nederland zijn ontwikkelingshulp had gebruikt „als instrument van intimidatie en bedreiging”. Radius zei met nadruk dat hij handelde „in opdracht van de president”.

De crisis was, goed beschouwd, een botsing tussen twee opvattingen van machtsuitoefening. Naarmate hij ouder werd, liet Soeharto liet zich steeds meer leiden door de Javaanse politieke cultuur. Volgens die traditie ontleent de vorst zijn vermogen om te regeren aan wahyu, een van God gegeven kracht. Zodra de mening postvat dat hij die kwijt is, stelt hij zich bloot aan aanvallen van pretendenten. Het is voor de vorst dan ook zaak af en toe te laten zien dat hij nog steeds de gunst van de goden geniet, door een machtswoord of een genadeloos gebaar.

Voor Pronk ging ontwikkeling hand in hand met respect voor de mensenrechten en hij schuwde niet om hulp in te zetten als politiek drukmiddel. De Tweede Kamer had hem na het bloedbad in Dili weliswaar aangespoord tot actie en had het besluit om de hulp op te schorten van links tot rechts gesteund, maar zijn collega Van den Broek wilde eerst het Indonesische onderzoek afwachten. Pronk had staande de vergadering besloten nieuwe hulp op te schorten.

De Indonesiërs verbaasden zich over dat verschil van aanpak in één kabinet. Kramer schrijft dat hij, als tijdelijk zaakgelastigde, had geprobeerd minister Radius Prawiro wat opheldering te verschaffen. „Op strikt persoonlijke basis” had hij hem gewezen op „een factor die mogelijk een rol had gespeeld en waarvoor we op ons departement van Buitenlandse Zaken een uitdrukking hadden: ‘Jan Pronk houdt er niet van links gepasseerd te worden’.”

Het was niet de eerste keer dat Soeharto zich voelde uitgedaagd door de Nederlandse minister. Begin 1991 had Pronk de Nederlandse bijdrage aan het geboortebeperkingsprogramma van Indonesië bevroren, hangende een onderzoek naar gepubliceerde gevallen van gedwongen sterilisatie en pressie op vrouwen om anticonceptiva te gebruiken. Soeharto had voor dit als succesvol beschouwde programma de United Nations Population Award gekregen en het had hem zeer gestoken dat Nederland het onder vuur nam.

In het voorjaar van 1990 had Pronk de betalingsbalanssteun aan Indonesië opgeschort naar aanleiding van de executie van ex-leden van de communistische partij PKI. Die wachtten al tientallen jaren op de voltrekking van hun doodvonnis wegens betrokkenheid bij de couppoging van 1965. Soeharto, die als generaal een einde maakte aan deze putsch, beschouwde de gevangen PKI’ers als zijn persoonlijke vijanden, over wier lot hij vrijelijk meende te mogen beschikken.

Toch ging het niet alleen om de persoonlijke eer van de president. Het verbreken van de hulprelatie met Nederland had veel weg van een nationale catharsis, een louterende crisis. Het parlement juichte het besluit unaniem toe als een uiting van ’s lands soevereiniteit en zelfrespect. Ook kritische economen, onder wie de in Nederland opgeleide Kwik Kian Gie, vielen de regering bij en benadrukten dat andere donorlanden het opengevallen ‘gaatje' (174 miljoen gulden in 1992, op een totaal jaarlijks hulpbedrag van 4,5 miljard dollar) makkelijk zouden kunnen opvullen.

Een jonge journaliste uit Jakarta – de laatste keer dat Jan Pronk als IGGI-voorzitter naar Indonesië kwam was ze niet van diens zijde geweken – vertelde me: „Het waren rare weken. Plotseling wemelden onze verhalen van onuitspreekbare namen als ‘Tweede Kamer der Staten-Generaal’, ‘Partij van de Arbeid’ en ’Christen-Democratisch Appèl’. Maar het allervreemdst was de reactie van mijn vader. Hij is in de zeventig; tot nu toe stond hij kritisch tegenover de huidige regering, maar na de beslissing van Soeharto om Nederlandse hulp te weigeren was hij een en al geestdrift. Zo kende ik hem niet.”

Van Indonesische kant werd al meteen onderstreept dat handel en joint-ventures met Nederland zonder meer welkom bleven. En zo werden partijen het al snel eens over de formule voor de bilaterale betrekkingen nieuwe stijl: „op voet van gelijkheid”.

Uit de vele gesprekken die ik als correspondent van deze krant in de loop der jaren voerde met Indonesische politici blijkt dat de breuk van 1992 de verstandhouding tussen beide landen veel minder kwaad heeft gedaan dan wat drie jaar later gebeurde. Toen sloeg de Nederlandse regering de uitnodiging af aan koningin Beatrix om op 17 augustus 1995 de vijftigste verjaardag van de Onafhankelijkheidsverklaring mee te komen vieren in Jakarta. Om de kleine, maar invloedrijke veteranenlobby in Nederland niet voor het hoofd te stoten, kwam de vorstin twee dagen later. Daarmee werd een historische kans gemist om de postkoloniale relatie voorgoed te normaliseren.

Gerard Kramer: Schaakmat in Jakarta - Soeharto’s revanche op de Haagse politiek, KIT Publishers, € 19,50