Best stoer, wat wij met z'n tweeën hebben neergezet

Saar van Waegeningh (39) en Lars Bakers (37) startten in 2009 hun eigen advocatenkantoor. Bingh Advocaten telt inmiddels acht advocaten en is gespecialiseerd in arbeidsrecht, intellectueel eigendomsrecht en ondernemingsrecht.

Lars: „Saar en ik zaten al in de maatschap van een ander kantoor en daar zagen we een generatiekloof ontstaan. Het was een beetje een oude-herenkantoor. Wij wilden graag moderne advocatuur bedrijven. Ons niet terugtrekken in een ivoren toren, maar zelf betrokken blijven.

Saar: „Door toch nog een keer naar een stuk te kijken. En dat telefoontje zélf te plegen.”

Lars: „We maken ook minder gebruik van secretariële ondersteuning dan de oudere generatie. Als je ziek bent, wil je ook dat de specialist aan je bed staat en niet eerst een co of wat zusters.”

Saar: „We lunchen iedere dag met elkaar.”

Lars: „Dan gaat het niet over een noot hier of een Hoge Raad daar. Vroeger zat je bij zo’n groot kantoor met van die ‘oude’ partners te lunchen, dan ging het over hele andere onderwerpen.”

Saar: „Mooie wijnen, bijvoorbeeld.”

Lars: „Dit ben ik helemaal niet, dacht ik dan. Advocaten zitten de hele dag op hun kamer. Door samen te lunchen, weet je wat er in elkaars leven speelt. Pindakaas en Nutella zijn erg in trek. De secretaresse haalt elke dag vers brood. Van Marqt.”

Saar: „Een lunch zoals thuis.”

Lars: „Saar en ik kennen elkaar al heel lang. Saar zat in het Collegium in 1994/1995 en ik was Quaestor van de Commissie voor de sociëteit Minerva. Een jaar lang werkten we dag en nacht samen.”

Saar: „Er ontstaat een soort vanzelfsprekend vertrouwen. Het was niet zo dat we klef waren, maar we voelden elkaar in discussies en grappen goed aan.”

Lars „Een voorbeeld...”

Saar: „Ik kwam als eerste meisje in die bestuursgang en ik kwam niet uit de geijkte kringetjes. Dat luistert in Leiden allemaal heel nauw. Lars waardeerde me meteen om wie ik was, liet blijken dat het er niet veel toe deed in welk huis ik woonde en in welke jaarclub ik zat. Lars is ook duidelijk in zijn communicatie, daar leer ik van. Ik wil graag aardig gevonden worden, echt zo’n vrouwentic.”

Lars: „Saar is heel aardig als je in haar kamp zit. Maar als je niet in haar kamp zit, is ze keihard. Je komt er gewoon niet doorheen als advocaat van de wederpartij. Omdat ze het dossier kent, maar ook omdat ze niet te beroerd is om haar zwakke punten te onderkennen. Daar haal je de wederpartij mee onderuit.”

Saar: „Lars is heel gestructureerd. Hij kan er wederpartijen gek mee maken in de rechtszaal. Dat zie je ook terug in zijn kamer.”

Lars: „Alles op stapeltjes. Bij Saar is het meer een...”

Saar: „Een berg.”

Lars: „Toen we hier begonnen, werkten Saar en ik met nog drie vrouwen. Heel leuk, maar ik vind het toch belangrijk om een goede mix te hebben op kantoor. Nu werken er evenveel mannen als vrouwen.”

Saar: „Je merkt het in de gespreksonderwerpen. En dat iedereen zich net wat leuker aankleedt als je gaat eten buiten kantoor. Je doet meer je best.”

Lars: „Komt dit ook in de krant?”

Saar: „Waar zullen we de foto maken? Hier aan de lunchtafel?”

Lars: „Het uitzicht is prachtig. Of misschien voor dit beeldje. Dat moeten wij voorstellen. Die wapperende toga, dat is Saar.”

Saar: „Lars, wat doe je? De lunch moet blijven staan, voor de foto.”

Lars: „Nee, dat vind ik zo slordig. Ik ruim het even op.”

Lars veegt de kruimels van tafel. De fotograaf komt binnen in de strakke, witte kantoorgang. De kamerbrede ramen bieden uitzicht op de Stadsschouwburg en Hotel Americain. De vrienden van Lars en Saar denken nog wel eens dat ze op een zolderkamer zitten. Als er niemand meer op kantoor is, roepen ze soms naar elkaar: „Toch best wel stoer wat we hier hebben neergezet.”