Waarom ik worstel met mijn mannelijkheid

Er bestaan veel vormen van mannelijkheid – en vele zijn de mijne niet, meent schrijver Henk van Straten. „De vorm van mannelijkheid die ik het meeste koester, is jongensachtigheid. Hutten bouwen. Scheten op elkaars hoofd laten.”

Een echte man – dat is Bear Grylls, voormalig vechtmachine bij de Britse special forces. In zijn programma Ultimate Survival beleeft hij bloedstollende avonturen, in woestijnen, jungles en berggebieden ver boven de boomgrens. Vorige week ontsloeg Discovery Channel hem, omdat hij zich niet hield aan ‘contractuele verplichtingen’. Ha! Contractuele verplichtingen…

James May, presentator van het autoprogramma Top Gear, is ook zo’n man. Met zijn twee collega’s scheurt hij in Lamborghini’s Gallardo Spyder, laat hij gierend van de lach caravans uit de lucht vallen, en als ze hun maaltijd die avond zogenaamd van het asfalt moeten schrapen, komt een van hen opeens met een dode koe op het dak om de hoek gereden.

James May is ook presentator van het programma Man Lab, dat aanstaande zondag op Discovery Channel aan zijn tweede reeks begint, en dat afrekent met mannen die niet meer kunnen kaartlezen en roze overhemden dragen.

Machismo is een van de vele vormen van mannelijkheid – en veel van die vormen zijn de mijne niet. Machismo wordt vaak ten onrechte gezien als extremiteit van de mannelijkheid: mannelijk, mannelijker, macho. Is dit stuk een lofrede op de mannelijkheid, en zo zeker ben ik daar nog niet van, dan beslist niet op machismo. In je tweedehands BMW met piepende banden optrekken om vijftig meter verderop alweer tot stilstand te komen. In een Porsche Cayenne je kind van school halen. Iemand een homo noemen als hij niet hard genoeg mee zuipt. Het pochen van de proletariër, kortom.

Maar vergis je niet. Ook intellectuele mannen lijden niet zelden aan deze aandoening. De symptomen zijn misschien net iets minder opzichtig, maar geenszins minder deerniswekkend.

Laatst las ik op Facebook een stukje van een schrijver/journalist die in Vrij Nederland een negatieve recensie van Marion Pauw had gekregen. Hij begon zijn stukje met ‘hahahaha!’, spuwde vervolgens zijn gal en noemde Pauw ten slotte ‘moppie’. Juist ja, hard lachen en klein maken, die vrouw.

Nee, ik vrees dat intelligentie en intellec-tualisme de man op geen enkele manier minder vatbaar maken voor machismo. Het is iets dat diep in sommige mannen zit. Aangeboren, aangeleerd – wie zal het zeggen. En ook ik zal er niet vrij van zijn. („Henk van Straten, is dat niet die schrijver met die stoere tatoeages?”) Maar trots ben ik er in ieder geval nooit op.

De tweede vorm van mannelijkheid zal ook niet het onderwerp van mijn lofrede zijn, maar is er wel een waardoor ik altijd enorm gefascineerd ben, en waarop ik zelfs een beetje jaloers ben. Ik heb het over de mannelijkheid van de onbevreesde man. Dierlijke, haast leeuwachtige mannelijkheid. Ik ben ze vaak tegengekomen, die mannen, en altijd weer vulden ze me met ontzag en verwondering. Mannen die kalm blijven als er een vechtpartij dreigt. Mannen die zich niet bang laten maken, ook al zijn hun belagers met meer.

Geen misverstand: dit gedrag heeft met machismo niks te maken. Machismo is geworteld in onmacht, zelfdeceptie, onzekerheid. Dit is iets anders. Dit is: als je mij bedreigt, doe ik geen stap achteruit. Als je mij iets aandoet, vecht ik terug. Instinctief en zonder aarzeling. De ratio krijgt geen enkele rol toebedeeld. Er is geen sprake van een risicoanalyse. Wat als de ander sterker is? Wat als hij een mes heeft? Niets daarvan. Man, wat zou ik graag af en toe zo willen zijn. Een strijder, een alpha-leeuw. Ik heb een aantal keren gevochten in mijn leven, maar de moed was altijd ingedronken.

Een lofrede op de jongensachtigheid dan misschien? Is dat de vorm van mannelijkheid die ik het meest koester? Hutten bouwen. Playmobil-poppetjes opknopen aan kasteeltorens en ze op de rails van de speelgoedtrein leggen. Later pornoboekjes zoeken tussen het oud papier. Scheten op elkaars hoofden laten. Leedvermaak om elkaars mislukte versierpogingen, of om onenightstands die het daglicht niet konden verdragen. Bierblikjes plat knijpen en daarbij een boer laten. Met de jongens van de band urenlang in een toerbusje op elkaar gepakt zitten. Elkaar dronken vastpakken en zeggen: „Ik hou van jou, man, dat wéét je!” Lompe opmerkingen maken over elkaars ouders of vriendinnen. Geen heilige huisjes. Geen gezeik. Geen geroddel.

Als ik terugdenk aan die tijd, de tijd met mijn vrienden en mijn drie oudere broers, springen de tranen me in de ogen. Ik zie ook nergens vrouwen van betekenis in die herinneringen. Ja, mijn moeder, maar dat telt niet. De jongensachtigheid, die nog altijd is verstrengeld met iedere grap en iedere vriendschap, mag zonder meer het onderwerp van mijn lofzang zijn.

De onmacht van de vader

Maar tegenwoordig ben ik getrouwd en vader van twee zoontjes. De een is anderhalf, de ander bijna vijf. Alles is anders. Als ik nu aan mannelijkheid denk, aan wat ik daaraan nu het mooiste en meest bewonderenswaardig vind, dan is dat waarschijnlijk de zoektocht en onmacht van de vader. Met andere woorden: wel door de krachten van de mannelijkheid voortgedreven worden, maar niet precies weten hoe een goede man te zíjn.

Laatst bracht ik mijn oudste zoontje naar school. Ik ging met hem de klas in en wachtte op de bel. Intussen speelde hij met een ander jongetje. Dat jongetje duwde hem en hij viel. Toen hij weer overeind was gekomen, wilde hij opnieuw met het jongetje spelen, maar opnieuw werd hij omver geduwd. Bijna misselijk werd ik toen ik de teleurstelling, het onbegrip en de schrik in zijn ogen zag. Toen het jongetje hem een derde keer wilde duwen, greep ik hard zijn armpje vast en zei dat hij ermee moest stoppen. Vervolgens instrueerde ik mijn zoontje fel: „Als iemand je drie keer duwt, moet je ook eens terugduwen!”

Zijn zwakte was mijn zwakte. Zijn verlies was mijn verlies. Zijn afgang mijn afgang. Ik wilde mijn leeuwenpup zien grommen. Tegelijkertijd tetterde een ingebeelde pedagogisch medewerker in mijn hoofd – hoe onverantwoord mijn aanpak was!

Ik wil dat mijn zoon een man wordt, maar geen macho. Ik wil dat hij zijn hersens gebruikt, maar ook weet hoe hij moet vechten. Ik wil dat zijn hart vol is van compassie, maar ook dat hij hard kan optreden wanneer iemand te ver is gegaan. Ratio en empathie enerzijds, dierlijke driften en impulsen anderzijds; juist die dingen die ik ook in mijzelf niet in balans kan krijgen. Diep respect voel ik, ja zelfs liefde, voor de man die worstelt met wat het is een man te zijn. Dit is een lofzang op de moed en de onmogelijkheid van de mannelijkheid.

Henk van Straten (1980) publiceerde twee romans: Salvador (2010) en Superlul (2011). Hij werd in 2010 en 2012 genomineerd voor de BNG Literatuurprijs en stond dit jaar op de longlist voor de Libris Literatuurprijs.