Verzoener die een burgeroorlog afwendde

Uit plichtsbesef bleef José Ramos-Horta langer aan als president van Oost-Timor dan hij wilde. Na zijn verlies van zaterdag wenkt een internationale loopbaan.

President José Ramos-Horta van Oost-Timor (Timor-Leste) vertrekt in stijl. Zonder drama, zonder protest. Hij verloor de eerste ronde van de presidentsverkiezingen en feliciteerde al voordat alle stemmen vandaag waren geteld zijn tegenstanders, onafhankelijkheidsstrijders Francisco Guterres en Taur Matan Ruak. Hij leek niet rouwig bij het vooruitzicht af te treden. Eerder zei hij al dat een nederlaag betekende dat hij zijn persoonlijke vrijheid zou terugwinnen.

Verantwoordelijkheidsgevoel maakte dat Ramos-Horta (62) Oost-Timor langer heeft geleid dan hij misschien had gewild. Twee keer werd hij genoemd voor mooie banen bij de Verenigde Naties, die hij afsloeg omdat zijn land hem nog niet kon missen. In 2006 gold hij als mogelijke opvolger van secretaris-generaal Kofi Annan, in 2008 werd hij gevraagd als Hoge Commissaris voor de Mensenrechten. Hij vond toen dat nieuwe presidentsverkiezingen zijn instabiele land te veel zouden belasten, en bleef in Oost-Timor.

Ramos-Horta stond mede aan de wieg van de onafhankelijkheid van zijn land, dat zich in 1999 losmaakte van Indonesië. Niet als guerrillero in de bergen, zoals zijn opponenten, maar als diplomaat. Sinds de annexatie door Indonesië in 1975 liep hij regeringen en de Verenigde Naties plat om steun te vinden voor zijn kleine land. Het leverde hem in 1996 (samen met bisschop Carlos Belo) de Nobelprijs van de Vrede op, en aandacht voor Oost-Timor.

Drie jaar later kwam de onafhankelijkheid – en de burgeroorlog. In een referendum sprak het Timorese volk zich in 1999 uit voor onafhankelijkheid. Wat volgde was brandstichting, moord en plundering door het Indonesische leger en door milities met steun van Indonesië. Ramos-Horta keerde terug naar een verwoest land, dat nog drie jaar werd bestuurd door de VN. Toen Oost-Timor officieel onafhankelijk werd in 2002, werd hij de eerste minister van Buitenlandse Zaken onder president Xanana Gusmao.

In 2006 brak bijna een burgeroorlog uit. Het leger en de politie stonden tegenover elkaar, net als het oosten en westen van het land. Ramos-Horta bleek nu de verzoenende figuur die het land nodig had. Nadat een vredesmacht de orde had hersteld, mocht Ramos-Horta als premier het land naar nieuwe verkiezingen leiden. Die verliepen vreedzaam en hij werd zelf verkozen als president: een ceremoniële maar hoogst symbolische positie.

Zelfs toen Ramos-Horta bijna het leven liet bij een aanslag, bleef hij een toonbeeld van verzoening. Een groep rebellen raakte hem in 2008 met drie kogels; de president raakte in coma en overleefde ternauwernood in een Australisch ziekenhuis. Eenmaal hersteld liet hij zich huilend de hand kussen door een van de schutters. Hij zei geen behoefte te hebben aan wraak en de afhandeling van de aanslag aan de rechtbank te laten.

Verzoening wilde Ramos-Horta ook met Indonesië. Volgens critici tegen een te hoge prijs. Hoewel hij zelf drie broers verloor tijdens de bezetting, heeft hij zich nooit ingezet om de schuldigen te straffen. Ramos-Horta verbood de Verenigde Naties zelfs onderzoek te doen naar het geweld rond de onafhankelijkheid, om de goede betrekkingen met het grote buurland niet te schaden.

Ramos-Horta zei dat hij het moeilijk vindt te kiezen wat hij gaat doen na 19 mei, als hij het leiderschap van zijn land overdraagt. Jaren geleden zei hij dat hij zijn carrière schrijvend wilde eindigen, met een boek over de botsing tussen beschavingen. Gezien zijn populariteit op het internationale toneel is het de vraag of hij daar de kans voor krijgt.

Elske Schouten