Universiteiten treden op tegen fraude

Universiteiten verschillen sterk in de aanpak van wetenschapsfraude. Sijbolt Noorda (Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten) kondigt een scherpere gedragscode aan.

„Wetenschappers zijn zich sterk bewust van het belang om te publiceren in de best mogelijke tijdschriften. Wetenschappers moeten voortaan even sterk doordrongen zijn van de noodzaak om de wetenschappelijke integriteit te handhaven”, zegt voorzitter van Sijbolt Noorda van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU).

De 14 universiteiten hebben vandaag aangekondigd de gedragscode voor wetenschappers aan te scherpen. Aanleiding zijn de gevallen van wetenschapsfraude die vorig jaar aan het licht kwamen, zoals rond psycholoog Stapel. „Die ongevallen hebben geleid tot een tijdelijk verhoogd bewustzijn van het belang van wetenschappelijke integriteit. Dat bewustzijn moet nu permanent worden.”

Om die reden hebben de universiteiten de afgelopen maanden gekeken naar de wetenschappelijke gedragscode, die begin 2005 van kracht werd. „De code zelf bleek beknopt, zoals dat ook hoort, en behoorlijk compleet”, zegt Noorda, „maar er staat niet in hoe die gehandhaafd moet worden.” Daarom komt er nu een aanvulling voor de handhaving van de code door universiteiten.

Wetenschappelijke integriteit wordt vast onderdeel van het onderwijs. „Dat is het vaak al, maar het moet niet meer afhangen van individuele docenten”, zegt Noorda. Het integriteitsonderwijs wordt afgestemd op de behoeften van de aankomende onderzoekers: „In de bachelor-fase bijvoorbeeld ligt de nadruk meer op de zorgvuldige omgang met bronnen en de vermelding daarvan. In een latere fase kun je bijvoorbeeld kijken naar gedrag in laboratoria.”

Wie promoveert, moet voortaan publiekelijk beloven zich te houden aan de gedragscode. Zoals artsen doen met de eed van Hippocrates? „Ja, onderdeel van de promotieplechtigheid wordt een klein ritueel, dat we nog moeten vormgeven.” Wie in dienst treedt van een universiteit, moet deze belofte schriftelijk afleggen. „Geen kleine lettertjes in een arbeidscontract, maar een aparte schriftelijke verklaring.”

Tussen universiteiten zijn de verschillen in aanpak van wetenschapsfraude nu nog groot. Om die reden komt er één ‘raammodel’ voor alle regelingen, waarmee universiteiten fraudegevallen afhandelen. Noorda: „Zo blijkt in de praktijk de scheiding tussen vertrouwenspersoon en integriteitscommissie goed te werken. De vertrouwenspersoon is het laagdrempelige meldpunt voor fraude, de integriteitscommissie komt na onderzoek tot een oordeel. Die scheiding wordt nu overal ingevoerd.”

Rapporten van integriteitscommissies worden ook allemaal geanonimiseerd openbaar. „Die komen te staan op de website van de VSNU”, zegt Noorda. Dat geldt ook voor de rapporten waarin een klacht ongegrond werd verklaard.

In de praktijk lopen de opvattingen over wat bijvoorbeeld plagiaat is, nogal uiteen. Om die reden komt er één landelijk document waarin staat wat precies geldt als schending van de wetenschappelijke integriteit. „Daarbij zullen voorbeelden worden gegeven van bijvoorbeeld slordige omgang met bronnen en plagiaat. Of van de omgang met onderzoeksgegevens die een onderzoeker al of niet weglaat”, zegt Noorda. „Met duidelijke casussen gaat wetenschappelijke integriteit veel meer leven.”

Want uiteindelijk zullen wetenschappers zelf de fraude moeten bestrijden, zegt Noorda. „Een wetenschapper moet niet alleen zelf integer zijn, maar zich ook medeverantwoordelijk voelen voor de integriteit van zijn omgeving. De aanscherping van de code is dan ook bedoeld als versterking van de sociale controle.”

Wie controleert of bijvoorbeeld labjournaals goed worden bijgehouden? „De onderzoeksleider natuurlijk, net zoals die toezicht houdt op de omgang met gevaarlijke stoffen controleert.” En als die dat niet doet? „Dan moeten mensen op de werkvloer dat aan de orde stellen bij een bespreking.” Zou een externe controleur niet beter zijn? „Externe controles kosten heel veel extra tijd maar vergroten de integriteit niet.”