Tweede leven voor oude melkfabrieken

Vrijwel elk dorp in agrarisch Nederland had een eeuw geleden zijn eigen melkfabriek. Maar hun hoogtijdagen duurden kort. In Limburg is nu in kaart gebracht wat er nog van over is en wat verloren ging.

Door Paul van der Steen

Zelfs de kleinste dorpen hadden ooit een melkfabriek. Limburg telde er op het hoogtepunt 155, op een totaal van 123 gemeenten. Elk fabriekje bood werk aan zeker een man of drie, op drukke dagen aan meer.

Vandaag de dag is daar vaak niets meer van over. Soms nog een heel klein beetje. ‘De Toekomst’ in Moorveld deed zijn naam geen eer aan en bestond slechts twee decennia. In 1940 ging het gebouw tegen de grond. De karnton staat nog in het plaatselijke bejaardenhuis.

In Maastricht stond tot midden jaren tachtig een fors bedrijfspand in de wijk Heer. Nu resteert nog slechts de markante schoorsteen met de letters ‘SiBeMa’ (Sittard-Beek-Maastricht) op het plein van een nieuwe school. De achtermuur van twee woningen in Maasbree vormt nog een restant van de reeds lang verdwenen melkfabriek ‘Sint-Allegondis’.

Historicus Serge Langeweg dook voor de Werkgroep Industrieel Erfgoed Limburg in de geschiedenis van de zuivelindustrie en kwam tot de conclusie dat van de meeste bedrijfjes niets meer is terug te vinden. Een aantal dorpen vond wel nieuwe bestemmingen. ‘De Hoogstraat’ in Hunsel en ‘Sint-Stephanus’ in Stevensweert zijn fraai verbouwd tot woningen. Zelfs het oude laadperron is er nog herkenbaar. Vanuit voorheen de melkfabriek ‘Land van Gulpen’ spoeden zich nu de wagens van de brandweer naar vuurhaarden in het Heuvelland. Sommige panden bieden inmiddels onderdak aan nieuwe bedrijvigheid.

‘Zuivel – Geschiedenis en inventarisatie van de zuivelfabrieken in Limburg’ laat zien hoe kort de hoogtijdagen van de boter- en melkindustrie duurden. De geschiedenis van de melkfabrieken is een betrekkelijk korte. Tot ver in de negentiende eeuw was van geconcentreerde productie geen sprake.

De meeste boerderijen in Limburg waren gemengde bedrijven. Landbouwers in het zuiden van de provincie kenden de zegening van zeer vruchtbare grond. In het noorden was buiten het Maasdal schraalheid troef. Dat betekende ploeteren voor een beetje opbrengst. Als er al koeien tot het bezit behoorden, trokken die de ploegen en karren. Ze leverden mest voor de akkers en vlees als ze uiteindelijk geslacht werden. Hun melk werd gebruik voor de bereiding van boter. Heel veel leverde dat niet op. Een halve kilo per koe per dag was al heel wat. Zoveel goeds kregen de dieren immers niet te eten.

Rond 1880 zorgde import van goedkoop graan uit de Amerika’s en Rusland voor een crisis in de West-Europese akkerbouw. Limburgse boeren zochten hun broodwinning elders of gingen kijken of ze niet meer uit hun vee konden halen. Die mogelijkheden waren er. Met beter voer steeg de melkproductie per koe fors: van 1.900 liter per koe in 1880 naar 2.700 liter per koe in 1910.

In Duitsland werden de eerste centrifuges voor het scheiden van melk en room ontwikkeld. Friesland, veeteelt- en zuivelgebied bij uitstek, had de Nederlandse primeur. In die provincie schakelden bedrijven ook het eerst op stoomkracht over. In Limburg werkten de melkfabrieken nog behoorlijk lange tijd op handkracht.

De investeringen waren niet eens zo groot, maar voor kleine boeren nog behoorlijk groot. Zelforganisatie in coöperaties bood uitkomst. De katholieke kerk juichte die aanpak toe. Rerum Novarum, de pauselijke encycliek uit 1891 over de sociale leer, roemde de coöperaties als middel tot verheffing.

Naarmate de coöperaties groeiden en ervaring opdeden en de op dezelfde manier georganiseerde boerenleenbanken kapitaal kregen, konden de fabrieken ook in Limburg gaan moderniseren.

Ondermelk die na afroming overbleef, ging lange tijd retour naar de boeren, die dit restproduct aan hun vee gaven. Melk wisselde te sterk van samenstelling en was hygiënisch te onbetrouwbaar om een populair consumptieartikel te worden. Ontwikkeling van technieken als pasteurisatie en sterilisatie nam een belangrijk deel van de bezwaren weg.

In de jaren twintig begon de consumptiemelk aan een opmars. Een decennium later was boterbereiding niet langer de speerpunt van de fabrieken. Na melk volgden later tal van andere producten: pap, slagroom, yoghurt, vla en ijs.

Na de Tweede Wereldoorlog lagen de Nederlandse melkfabrieken mijlenver achter op de concurrentie. Om het hoofd boven water te houden, waren nieuwe slagen broodnodig Schaalvergroting bleek een van de toverwoorden. Fusies volgden elkaar op. Toen eenmaal vijf grote Zuid-Nederlandse samenwerkingsverbanden waren ontstaan, gingen die op in de Coöperatieve Zuivelvereniging Campina. Die gingen later samen met de Zuid-Nederlandse Melkindustrie D.M.V. En dat bedrijf fuseerde uiteindelijk met Melkunie.

Fabrieken in Limburgse dorpen waren toen al voorgoed verleden tijd. Van alle bedrijvigheid van weleer is niets meer over. Campina bouwde in de jaren tachtig nog een kaasfabriek in Born, niet midden in de gemeenschap maar op een bedrijventerrein. Het is het laatste overblijfsel van de Limburgse zuivelindustrie.