Praatpaal

‘Ik ben iemand bij wie mensen voortdurend hun hart uitstorten – heb jij enig idee hoe dat komt?” vroeg de jonge vrouw naast mij. We zaten in haar auto, op weg naar mijn huis. Ze had de radio uitgezet. De vierbaansweg was rustig, het werd schemerig, de tijd voor vertrouwelijkheden.

„Hoe gaat dat dan?” ontweek ik haar vraag, waarover ik eerst even wilde nadenken.

„Nou, ik zit in een gymzaal voor de turnles van mijn dochtertje. Het was een voorbereiding op wedstrijden, de besten zouden geselecteerd worden. Er komt een man naast me zitten die ook voor zijn dochtertje kwam. Maar hij let helemaal niet op zijn kind, hij begint een uur lang tegen mij aan te kletsen over zijn pas gestorven moeder. Hoe die aan haar einde gekomen was, hoe slecht ze haar in het ziekenhuis behandeld hadden. Alles kreeg ik te horen, het hele stervensproces, tot in detail. Ik hoefde alleen maar te knikken.

Een tijd later, bij die wedstrijden, komt deze man weer bij me zitten, nu met zijn vrouw erbij. Weer wil hij allerlei verhalen vertellen. Mijn man was er ook en we gingen ten slotte maar ergens anders zitten. Maar hij kwam ons achterna om opnieuw aan zijn verhalen te beginnen. We moesten wéér opstappen.”

„Dat klinkt wel heel excessief”, zei ik.

„Ik heb het vaak meegemaakt”, zei ze. „Ik was met zwangerschapsverlof toen ik thuis een middagje op enkele kinderen moest passen. Er was ook een kind bij van een vrouw die ik helemaal niet kende. Toen ze haar kind kwam afhalen, ging ze even zitten. Vervolgens golfde er een verhaal uit haar waarvan je beroerd werd: over hoe ze in haar jeugd misbruikt was. Ook weer met alle details erbij. Daarna pakte ze haar kind en vertrok. Ik heb nooit meer contact met haar gehad. Begrijp jij het?”

„Dit zijn maar twee willekeurige voorbeelden?”

„O ja, ik zou veel meer voorbeelden kunnen noemen. Vroeger op school, op feestjes, op mijn werk.”

„En vragen die mensen wel eens iets aan jou?” vroeg ik.

„Déze mensen? Nooit. Ze zijn absoluut niet in je geïnteresseerd. Ze gooien hun levensverhaal eruit, als een soort braaksel, en verdwijnen.”

Ik keek naar haar. Ze was betrekkelijk jong, iemand die nog met de nodige verbazing haar ervaringen met andere mensen bezag. Zo klonk ook haar stem toen ze indringend vroeg: „Herken jij dit?”

Ik schraapte mijn keel, wat je onwillekeurig doet als je op je levenservaring wordt aangesproken. „Ja. De mensheid kun je verdelen in praters en luisteraars. De meeste mensen zijn praters, jij bent een luisteraar. De praters herkennen de luisteraars onbewust in één oogopslag. Ze dalen op hen neer als vliegen op de stroop. En ze beginnen hun verhalen te vertellen. Waargebeurde verhalen, verzonnen verhalen, het maakt niet uit, als ze maar leeg kunnen lopen. Jijzelf doet er niet toe, je bent hun praatpaal. Zodra jij over jezelf zou beginnen, haken ze af. Of ze gebruiken een detail uit jouw verhaal om verder te kunnen gaan met hún verhaal.”

„Maar vind jij dat niet onbevredigend?”

Ik haalde mijn schouders op. „Er is zoveel onbevredigend.” Ik dacht even na. „Vergeet niet dat er voor de luisteraar ook een bevredigende kant aan zit. Hij kan zelf met zijn hele hebben en houden buiten schot blijven. Hem wordt toch niets gevraagd.”

Ze keek me met een glimlachje aan. „En jij? Wat ben jij eigenlijk voor een type?”

„Wat denk je?”