Ik ga een brug bouwen

Op het Boekenbal kwam een meisje naar me toe.

Op zichzelf is dat een fijne beginzin – misschien moet ik daar maar meteen ophouden. Het suggereert genoeg. Ik kende haar een beetje, krulletjes, van die grote intense ogen waarvan je zou denken dat ze in het donker kunnen zien. We kletsten wat, ik stond daar in mijn galapak, mijn gepoetste schoenen, mijn das, vodka-tonic, helemaal Don Draper-modus, 100 procent confidence, totdat ze ineens de meest dodelijke zin zei die iemand op feestjes kan zeggen: „Ik zit eraan te denken om ook een roman te schrijven.”

Oké, er zijn dodelijker zinnen uitgesproken. Ik stond een paar jaar terug in een nachtclub in Las Vegas, pak, schoenen, das, Don Draper, etc., toen een gevaarlijk blond meisje naar me toe heupwiegde. „You look hot”, zei ze. „Well thank you, miss, zei ik, immens tevreden. You don’t look too bad yourself.”

Nee, nee, zei ze. „I mean, you’re sweating, you should get some water.”

Het is niet de eerste keer dat iemand tegen me zegt dat hij/zij eraan zit te denken om ‘ook een roman te schrijven’. Ik heb mijn antwoord inmiddels paraat: Oh, wow, zeg ik. Ik zit eraan te denken om een brug te bouwen. Ik zit eraan te denken een slagerij te beginnen.

In het boekenweeknummer van Vrij Nederland besprak één recensente elf boeken. In één week. Elf! Wat een droomvrouw! Wat geloofwaardig! Bij elkaar opgeteld 2.611 bladzijdes. En daarover schreef ze dingen als „Philip Huff timmert aan de weg. In 2009 verscheen zijn eerste roman, onlangs volgde zijn tweede.” Het is alsof ze schrijft „Hij zette eerst een stap met zijn rechterbeen, daarna met zijn linker.”

En toch is het te begrijpen. Hoe snel ze gelezen moet hebben, of gescand, het haalt het niet bij het aantal boeken dat verschijnt. En het haalt het al helemaal niet bij het aantal boeken dat mensen zeggen dat ze aan het schrijven zijn. De helft van mijn vriendverzoeken op Facebook heeft bij zijn status staan ‘werkt aan debuutroman bij..’ Ik negeer die vriendschapverzoeken maar. Schrijf, maar houd het alsjeblieft voor je.

Arthur Miller, de toneelschrijver van Death of a salesman en The Crucible, Pulitzerprijswinnaar, derde echtgenoot van Marilyn Monroe, rijk en beroemd, werd door een hotdogverkoper aangesproken, die bij hem in de klas gezeten bleek te hebben: „Artie! Hoe gaat-ie?” Miller vertelde wat beschaamd over zijn succes. „Goh, toneelschrijver”, zei de hotdogverkoper. „Waarom heb ik daar niet aan gedacht?”

Enfin, om een lang verhaal kort te maken: niet gescoord dus, op het Boekenbal.