Daany woont in zijn kamer

De autistische Daany zit zo’n twintig uur per dag op zijn kamer. Werken lukt hem niet.

Het liefst kijkt Daany naar horrorfilms. Dvd’s over zombies, vampiers en weerwolven. Hij zit dan op zijn bed, vlakbij het grote scherm. „Ik hoor mijn broertje niet, ik zie mijn moeder niet als ze mijn kamer binnenkomt. En als we gaan eten, dan moeten ze beneden zo hard schreeuwen dat ze boos worden.”

Zo’n twintig uur per dag zit Daany (19) op zijn kamer, al sinds december 2010. Een wereld van drie bij drie meter, met twee bedden, een tv en een dvd-speler. Zijn broertje slaapt er ook.

Daany is autistisch. „Zwaar autistisch”, zegt hij zelf. „Ik voel weinig. Geen liefde of boosheid of verdriet. Ik word getest op Asperger. Ik kan slecht met drukte omgaan.”

Hij heeft zijn kamer even verlaten, voor dit gesprek. Hij zit in een brasserie in Waalwijk, waar hij woont. Naast Daany zit Michel SzulcKrzyzanowski, fotograaf. Krzyzanowski heeft Daany gefotografeerd voor zijn nieuwe boek, dat later dit jaar uitkomt. Al 35 jaar fotografeert hij het gezin waar Daany uit komt, vijf fotoboeken zijn er over hen gemaakt.

Hoofdpersoon is Henny Arendse, Daany’s moeder (52). Krzyzanowski volgt haar sinds haar zestiende. Toen een fabrieksmeisje, nu moeder van zes kinderen. Vijf van hen wonen nog thuis. Alle kinderen hebben een aandoening: van PDD-NOS, tot ADHD, tot wietverslaving. Daany’s vader heeft een drankprobleem en zit in de Ziektewet. Henny is onlangs geopereerd: ze heeft rechts een kunstheup gekregen – het herstel duurt zeker drie maanden. Krzyzanowski: „Iedereen in het gezin heeft zo zijn eigen zorgen. Daany kan zijn eigen gang gaan.”

Krzyzanowski is een familievriend. Hij heeft Daany’s vertrouwen gewonnen: als enige buitenstaander mag hij hem in zijn kamer opzoeken. Vandaar een brasserie als locatie voor een ontmoeting met een vreemde derde. „Ik vind het moeilijk, ja, om hier te zitten”, zegt Daany. „Ik zie mensen binnenkomen, ik praat met jullie, ik hoor muziek en buiten zie ik mensen langslopen. Nogal druk.”

Daany’s stem klinkt vlak. Als hij praat, in heldere, afgemeten zinnen, kijkt hij recht vooruit. Uitweiden doet hij niet uit zichzelf. Hij krijgt een vraag en geeft een afgebakend antwoord. Hij neemt pas weer het woord na een volgende vraag. Hoe lang duurt je favoriete horrorfilm, een uur? „Eerder zeventig minuten.”

Kijk je de film meerdere keren achter elkaar? „Ja. Ik heb alle delen van Underworld al honderd keer gezien.”

Je gaat erin op? „Ja.”

Werk heeft Daany niet. Zijn vorige baan – begin dit jaar – hield hij zes dagen vol. Hij werkte bij een fabrikant van motoren, voor onder meer grasmaaiers en airconditioning. „Het werk was irritant. Ik moest de hele tijd zo zitten.” Daany leunt naar voren en kromt zijn rug. „Met mijn voet bediende ik een ponsmachine. Die maakte gaatjes in een metalen lat. Ik had muziek op, anders verveelde ik me.”

In de pauze ging hij naar de kantine, net als zijn collega’s. „Het moest wel, hè.”

Was het moeilijk, al die mensen om hem heen? „Ja. Maar daar is het mobieltje voor uitgevonden, hè. Zo kon ik gelukkig spelletjes spelen op mijn telefoon.” Na een week stopte hij met het werk. „Ik wilde het langer volhouden, maar dat lukte totaal niet. Ik vond het druk, werken met acht of negen collega’s om me heen. En ik heb niets met motoren.”

Zo gaat het telkens sinds Daany op zijn achttiende de praktijkschool voltooide: hij krijgt een baan, vindt het werk te druk of het tempo te hoog, en stopt. Zijn banen kreeg hij meestal via een Brabants reïntegratiebedrijf of via de praktijkschool. „Ik heb schoongemaakt, geschilderd, fietsen gerepareerd. Werken met vier, vijf mensen is nog te doen. Meer wordt te veel.”

Daany krijgt een Wajong-uitkering, bedoeld voor arbeidsongeschikte jongeren. En hij krijgt hulp van Prisma, een Waalwijkse zorgorganisatie voor mensen met een verstandelijke beperking. Een hulpverlener van Prisma praat regelmatig met het hele gezin, en dus ook met Daany. „Gisteren spraken we over mijn emoties, over sport en over werk.”

Daany heeft een stappenplan in zijn hoofd: eerst een sport, dan aan het werk. Het liefst wil hij boksen. „Boksles is een goede manier om me uit te leven en om bezig te blijven”, zegt hij. „En als ik dat eenmaal doe, kan ik goed op zoek gaan naar werk.” Het uitvoeren van dat stappenplan lijkt nog niet zo eenvoudig. „Ik vind het moeilijk om werk te vinden dat bij mij past.” Bovendien: „Er is geen geschikte boksschool in de buurt. En van mijn moeder mag ik niet op boksen. Ze is bang dat ik flip als ik een tik krijg.”

De bedoeling is dat Daany binnenkort getest wordt, vertelt hij. „Om te zien welk werk ik wel of niet aankan.” Wanneer die test zal plaatsvinden, weet hij niet precies. „Volgens mij pas als ik 20 jaar ben, in augustus.” Voorlopig zit Daany dus op de kamer waar hij al bijna anderhalf jaar zijn dagen doorbrengt. Hij verlaat die alleen om te douchen of voor de huishoudelijke taken die hij moet doen. „De honden uitlaten, de wc poetsen, boodschappen doen.”

’s Ochtends kijkt hij zijn eerste film, horror of actie. Rond half een kijkt Daany wie er beneden zijn. „Meestal is het rustig, want iedereen zit op school of stage. Mijn moeder is net wakker, mijn vader pas om twee uur ’s middags: ’s morgens vroeg hebben ze een krantenwijk.” Daany eet een tosti of een boterham, en gaat weer terug naar zijn kamer voor opnieuw een film. En om gewichten te heffen. „Ik train een half uur achter elkaar mijn bovenarmen. Zonder pauze.”

Pas bij het avondeten vult hij zijn maag, en ziet hij de rest van het gezin. Het liefst zit hij aan het hoofd van de eettafel. „Dan kan ik alles overzien. Een rustige plek.”

Onprettig is het niet, het leven op zijn kamer,. „Als ik op bed lig, kan ik doen wat ik wil. Ik kan sit-ups doen of computerspelletjes. Of films kijken. Ik kan maar één ding tegelijk, hè. Anders krijg ik koppijn.” Verwachtingen heeft hij niet. „Als ik denk aan mijn toekomst is het gewoon zwart.”