Bres in belasting op dividend

Deze rubriek belicht elke dinsdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Vandaag: strop dreigt voor schatkist bij dividendbelasting

Foto Cor Salverius

De Nederlandse staat incasseert jaarlijks zo’n 2,5 miljard euro aan dividendbelasting; zo’n 1 procent van de inkomsten van de centrale overheid. Door een uitspraak van het gerechtshof in Den Bosch dreigt deze inkomstenbron substantieel te verminderen.

Het hof heeft vorige week namelijk bepaald dat de Nederlandse staat de dividendbelasting die geheven is op Nederlandse beleggingsaandelen van vrijgestelde buitenlandse beleggingsfondsen moet terugbetalen.

Een Fins beleggingsfonds had dividend ontvangen uit beleggingen in Nederlandse aandelen. Het gaat om een zogenoemd open end-beleggingsfonds, waarbij het aantal aandelen gedurende de looptijd van het fonds niet vast staat. Naar aanleiding van vraag en aanbod kan besloten worden om extra aandelen uit te geven of aandelen in te nemen. Op deze dividenden werd Nederlandse dividendbelasting ingehouden en door de dividenduitkerende vennootschappen afgedragen aan de Belastingdienst.

In 2009 vroeg het fonds om teruggaaf van deze dividendbelasting. In Finland kon het fonds de Nederlandse dividendbelasting niet verrekenen, omdat het in Finland was vrijgesteld van belasting.

De belastinginspecteur wees het verzoek af. Het Finse beleggingsfonds kreeg de betaalde dividendbelasting niet terug, omdat de Nederlandse wet niet voorzag in een dergelijke teruggaaf. En volgens de inspecteur is sprake van een besloten beleggingsfonds, waardoor niet het fonds, maar de investeerders in het fonds een verzoek om teruggaaf hadden moeten doen.

Het belastingadviesbureau KPMG Meijburg & Co spande namens het Finse bedrijf een rechtszaak aan bij de rechtbank in Breda. Die gaf de fiscus gelijk. Maar in hoger beroep oordeelde het gerechtshof in Den Bosch anders: de Nederlandse dividendbelasting moet volledig moet worden terugbetaald aan het Finse beleggingsfonds. Het hof oordeelt dat de bestreden bepaling in de Nederlandse wet in strijd is met het Europees recht, en meer specifiek met het vrije kapitaalverkeer.

„De uitspraak van het gerechtshof Den Bosch is in lijn met de Europese trend, waarin buitenlandse bedrijven dezelfde voordelen toekomen als vergelijkbare binnenlandse bedrijven”, zegt Niels van der Wal van KPMG Meijburg in een toelichting.

Van der Wal: „Het zogenoemde non-discriminatiebeginsel. Behalve uitspraken van het Europees Hof van Justitie zijn er inmiddels ook in diverse andere Europese landen soortgelijke uitspraken door belastingrechters gedaan.”

De uitspaak kan ingrijpende gevolgen hebben voor de heffing van dividendbelasting op Nederlandse beleggingsaandelen die in handen zijn van buitenlandse beleggingsfondsen, zegt Van der Wal. „Als deze uitspraak in cassatie in stand blijft, zullen ook fondsen uit andere landen binnen de Europese Unie en waarschijnlijk zelfs ook in landen van buiten de Europese Unie voor een (extra) teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting in aanmerking komen.”

De verwachting bestaat dat er veel claims zullen worden ingediend bij de Belastingdienst. Het gaat daarbij om een bedrag van 1 à 2 miljard euro. Volgens Van der Wal slaat de uitspraak van het gerechtshof vermoedelijk zó’n gat in de opbrengst van de dividendbelasting, dat afschaffing in de lijn der verwachting ligt. Weliswaar zou dit een verlies aan belastinginkomsten opleveren, maar dit kan worden goedgemaakt doordat Nederland na afschaffing van de dividendbelasting voor hoofdkantoren aantrekkelijk genoeg wordt om zich hier te vestigen.

Het ministerie van Financiën wijst deze suggestie resoluut van de hand. Financiën vindt de gehanteerde vergelijkingsmaatstaf door het gerechtshof in Den Bosch „onjuist” en gaat daarom in cassatie.

Van der Wal: „Het laatste woord is aan de Hoge Raad, eventueel nadat de hij om [bindend, red.] advies heeft gevraagd van het Europees Hof van Justitie in Luxemburg.”

Tips? Mail ecorecht@nrc.nl