Subsidierealisme bij podiumkunsten

Het aantal aanvragen voor subsidie bij het Fonds Podiumkunsten is met een kwart gedaald. Hoe kan dat, en wat zijn de gevolgen?

„Het wordt nog een moordende selectie.” Dat kondigde de directeur van het Fonds Podiumkunsten, George Lawson, in november aan toen hij directeuren van culturele instellingen uitleg gaf over de nieuwe criteria voor langjarige subsidie van zijn fonds. De verwachting was toen dat er veel meer zou worden aangevraagd dan er beschikbaar was. Omdat het Rijk minder gezelschappen rechtstreeks subsidieert, zouden er meer aankloppen bij het fonds. En dat heeft tegelijkertijd juist minder geld voor langjarige subsidie, door de bezuinigingen (24,5 miljoen in plaats van 39,5 miljoen per jaar).

Nu heeft het fonds bekendgemaakt hoeveel instellingen een aanvraag doen en wat blijkt? Het is een kwart minder dan bij de ronde in 2008 en ze hebben samen 40 procent minder gevraagd. In de woorden van Lawson: „Instellingen vragen minder makkelijk subsidie aan en degenen die het wel doen, vragen gemiddeld lagere bedragen.” Hij spreekt van „een nieuw soort subsidierealisme”.

Dat realisme is niet vanzelf ontstaan. Het Fonds Podiumkunsten heeft de criteria voor subsidie aangescherpt. Er zijn maxima gesteld, waardoor instellingen die voorheen meer dan 1 miljoen per jaar kregen sowieso moeten inleveren. Op die manier is voorkomen dat slechts enkele groten overblijven die subsidie krijgen. Daarnaast zijn de eisen opgeschroeft: instellingen moeten ten minste 20 procent eigen inkomsten hebben en minimaal 40 voorstellingen per jaar realiseren.

Die nieuwe eisen verklaren waarom een aantal kleinere gezelschappen nu geen aanvraag meer doet en waarom er zo veel minder (de helft) nieuwkomers zijn. Om 40 voorstellingen per jaar te kunnen realiseren en een eigen inkomstennorm van 20 procent te halen, moet je al behoorlijk gevestigd zijn als muziek-, dans- of toneelgezelschap. Dit betekent niet dat nieuwkomers helemaal geen kans meer hebben op subsidie. Ze kunnen nog steeds op projectbasis een aanvraag doen bij het Fonds Podiumkunsten, dat juist het projectbudget relatief heeft verhoogd: er is nu 6,2 miljoen per jaar voor.

Uit het feit dat er zo veel minder geld is gevraagd, valt af te leiden dat instellingen nu al rekening houden met een bezuiniging. Ze korten op hun brochures, op kostuums en decors, of ze verhuizen uit het dure Amsterdam. Ook dat hoort bij nieuw subsidierealisme. In feite is het effect van de bezuiniging van het fonds, die in 2013 ingaat, deels naar voren gehaald.

Dat de aanvraagdruk minder groot is dan verwacht, betekent niet dat er geen selectie meer gemaakt hoeft te worden. Er zullen vrijwel zeker instellingen zijn die aan alle criteria voldoen en die straks toch geen structurele subsidie (meer) krijgen: het fonds is nog altijd 2,2 keer overvraagd. Maar de druk op het budget is niet hoger dan in de vorige ronde. Lawson spreekt dan ook niet meer van een moordende selectie. Nu zegt hij: „We zijn al een stuk door de zure appel heen, maar het blijft een ongelooflijk zware selectie.”

Op 1 augustus blijkt wie die selectie doorstaat.