Spreekrecht ouders is in belang van samenleving

De advocaten van Robert M. doen er onverstandig aan om de ouders van slachtoffers niet te laten spreken. Het helpt bij de verwerking van het gebeurde, stelt John Blad.

Illustratie Bill Day

De advocaten van Robert M. en Richard O. doen er niet verstandig aan zich zo fel te verzetten tegen het laten spreken van de ouders van de kinderen in de ‘Amsterdamse zedenzaak’. Het draagt niet bij aan de bevordering van een beeld dat de verdachten openstaan voor het leed van betrokkenen, ook al staan ze daar misschien wel voor open.

Strikt wettelijk gezien is het spreekrecht niet toegekend aan ouders. Ze hebben gelukkig hun naasten niet verloren en zijn dus geen nabestaanden. De Hoge Raad heeft onlangs beslist dat de uitbreiding van dat spreekrecht een zaak voor de wetgever is en niet voor de rechter.

Het is een vreemde omissie van de wetgever geweest om deze categorie betrokkenen bij de regeling van het spreekrecht over het hoofd te zien. De vereniging ‘ouders van een vermoord kind’ was wel in beeld tijdens het wetgevingsproces, maar de ouders van misbruikte kinderen kennelijk niet. Gezien de belangrijkste strekking van het spreekrecht ter zitting – het bieden van een forum voor het uitdrukken van het leed over wat er is voorgevallen en de gevolgen hiervan voor het persoonlijke en sociale leven – is er evenwel geen reden om de ouders van de kinderen in deze zedenzaak uit te sluiten van spreekrecht.

Hierbij moet worden bedacht dat het uitoefenen van het spreekrecht wordt geacht geen invloed uit te oefenen op de strafmaat, die in deze strafzaak toch al wel vrij hoog zal uitvallen. Er is alle reden voor de verdachten, slachtoffers – in ruime zin – en hun raadslieden om de morele en psychische aspecten van het gebeurde volop de ruimte te geven. De verdachten hebben bekend en het bewijs lijkt overvloedig, maar het zicht op de consequenties van de zedendelicten kan worden vergroot en verduidelijkt. Het bieden van een voice aan de ouders kan de strafzaak verrijken en de ouders helpen het gebeurde (verder) te verwerken.

De houding van de advocaten past helaas in een ongewenste tendens die in de politiek sterk aanwezig is. Dat is het polariseren van de veronderstelde belangen en behoeften van slachtoffers enerzijds en verdachten en daders anderzijds. Wetgevingsoperaties als die van de minimumstraffen worden gelegitimeerd met de stelling dat slachtoffers daar belang bij hebben. Staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie, VVD) stelde onlangs dat veroordeelden niet meer in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling als hun slachtoffers dit niet willen. Eerder zette politicus Joost Eerdmans (Leefbaar Capelle) de toon in een manifest van een ‘burgercomité’, met het motto dat wie mild is voor de wolven, wreed is voor de schapen. Dit is demonisering van verdachten tegenover heiligverklaring van slachtoffers.

Dit motto van Eerdmans lijkt impliciet het slachtoffer- en het daderbeleid van de regering te leiden. Het spreekrecht mag geen invloed hebben op de strafmaat, maar heeft het waarschijnlijk wel, ook al is dit niet goed meetbaar. Het kan ook bijdragen aan de snellere vorming van een overtuiging bij de strafrechter en een minder kritisch onderzoek van datgene wat in het belang van de verdachte moet worden meegewogen in de eindbeslissing.

Wat werkelijk in het belang van concrete slachtoffers is, wordt in de politiek meestal niet naar voren gebracht, want dan moeten politici toegeven dat dit verschilt van slachtoffer tot slachtoffer. Justitie moet maatwerk kunnen leveren, aan slachtoffers zowel als aan daders. Dit zou kunnen door veel meer in te zetten op gesprekken tussen slachtoffers en daders en op mediation voor of na de zitting. Dit soort bemiddelingsvormen laten directe communicatie toe tussen slachtoffers en daders. Dit valt in de zittingszaal nauwelijks te realiseren. De diverse vormen van bemiddeling zijn veel sterker geschikt voor het bevorderen van wederzijds begrip over wat er is gebeurd en de implicaties hiervan. Ze bevorderen het besef van schuld en verantwoordelijkheid bij daders en bieden ruimte aan de verontwaardiging en woede van de slachtoffers en hun naasten.

In het Belgische wetboek van strafvordering, dat anders dan het Nederlandse de bemiddeling allang heeft ingeschreven in de procesorde, wordt gesproken over de bevordering van „pacificatie” en „herstel”. Dit is heel wat anders dan de polariserende taal die onze medewetgevers vaak spreken en veel meer in het belang van de samenleving.

De belangen van slachtoffers, verdachten, daders en de samenleving zijn op heel veel manieren nauw vervlochten. Zo kan men tegen resocialisatie zijn en kiezen voor het tijdelijk onschadelijk maken van daders, door aan hen gevangenisstraffen op te leggen. Als hierdoor recidive wordt bevorderd, dan vallen er evenwel nieuwe slachtoffers. Slachtofferbelangen worden hiermee dus niet werkelijk gediend. Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek bleek overigens dat slachtoffers relatief vaak daders zijn en andersom. Ze komen beide uit lagen van de bevolking waarin de omstandigheden die misdaad bevorderen, sterk zijn. Het tegen elkaar uitspelen van hun veronderstelde belangen, om de geneigdheid tot straffen te verhogen, leidt uiteindelijk tot de ondermijning van de belangen van beide categorieën van betrokken burgers. Ze zijn beide meer gediend met werkelijke aandacht voor de maatschappelijke problemen en persoonlijke tekorten waarmee ze hebben te worstelen.

In de Amsterdamse zedenzaak is het geen simpele zaak om andere vormen van communicatie tussen slachtoffers en de bekennende verdachten te bedenken en uit te voeren, maar het kan wel. De ouders hadden videoboodschappen kunnen maken. Deze hadden aan de verdachten kunnen worden getoond in het vooronderzoek. Enkele ouders die hiertoe bereid waren gevonden, hadden in een directe confrontatie, buiten de rechtszaal, de emoties en de percepties van de gehele groep ouders kunnen vertolken en de reacties van de verdachten kunnen aanhoren. Dit kringgesprek had kunnen worden opgenomen en worden vertoond aan de andere ouders. De sleutel tot een goede verwerking is begrip. Hiervoor is betrouwbare en authentieke communicatie nodig, die vraagt om een communicatievorm vrij van dwang en drang.

Denkend vanuit een algemeen samenlevingsbelang is de polarisatie die in de Amsterdamse zedenzaak tot uitdrukking komt uiterst zorgwekkend en bedroevend. Er kan alleen maar worden gehoopt dat de verdachten zullen hebben geluisterd als straks de ouders hebben mogen spreken en dat de ouders dit ook geloven.

John Blad is universitair hoofddocent strafrecht aan de Erasmus School of Law van de Erasmus Universiteit Rotterdam.