Onderbroken door applaus

Ik benijd Diederik Samsom niet, want als nieuwe partijleider van de PvdA ligt hij vanaf dag één onder het vergrootglas. Onvermijdelijk kijk je naar hem met de vraag: zal hij werkelijk weerwerk kunnen leveren aan Wilders, de schaduwpremier van Nederland?

Met de toespraak waarmee hij zijn nieuwe positie aanvaardde, te zien op internet, liet Samsom andermaal zien dat hij een goede en overtuigende spreker is. Duidelijk, gepassioneerd, iemand die meent wat hij zegt. Hij praat soms net iets te snel en zijn pauzes zijn soms te kort, maar hij articuleert goed en zijn gebaren zijn gelukkig niet ingestudeerd (dodelijk voor een politicus).

Enig minpuntje bij deze dankspeech, en hier komt het vergrootglas: als je aan een zin begint en je wordt onderbroken door applaus, dan moet je die zin daarna toch afmaken.

Dit is overigens hogeschoolwerk, want onderbroken worden door applaus is sowieso erg lastig, zeker als het lang duurt. Daar sta je dan, voor een zaal, voor een batterij camera’s. Je was net lekker op dreef, maar nu moet je wachten tot de zaal is uitgeklapt. Als je overduidelijk gaat staan genieten van het applaus (klassiek voorbeeld: Mussolini), dan zet je jezelf te kijk als een enorme ijdeltuit. Als je de toehoorders te vaak tot stilte maant („nu even stoppen”, daar had Mussolini ook een handje van), kom je al snel over als autoritair.

Bijna alle goede sprekers, Samsom incluis, kiezen voor even naar beneden kijken en vervolgens minzaam en enigszins verlegen glimlachen naar het publiek.

Maar goed, na het geklap is het wel degelijk zaak om je zin af te maken, of opnieuw te beginnen, en dat ging bij Samsom een paar keer mis.

„En als onze tegenstanders nú nog niet zenuwachtig genoeg zijn, zó hebben we er nog 25 in onze Tweede Kamerfractie. Vast van plan…”, zei Samsom, waarna hij precies tien seconden applaus in ontvangst moest nemen. Samsom deed dit bescheiden glimlachend, en zei toen: „Maar deze campagne was nooit geslaagd…”

Wellicht valt zoiets niet op in een enthousiaste, klapgrage zaal, maar de kijker thuis, zeker die met een vergrootglas in de hand, denkt: vast van plan om...? Om wat? Ten strijde te trekken? Er samen de schouders onder te zetten?

Zo ging het nog een paar keer. „Ik wil de leden...”, applaus, „ik noem een paar leden bij naam”, enzovoorts. Het zijn natuurlijk kleinigheden, maar anders dan veel politici zouden willen gaat het de kiezer vaker om een opeenstapeling van kleinigheden dan om grote idealen.

Iets heel anders: in het werk van Aug. P. van Groeningen (1866-1894) kwam ik onlangs een curieus eufemisme tegen. In 1887 voert Van Groeningen in een verhaal een arbeider op die een collega de les leest die z’n warme plek bij het fornuis wil afstaan aan twee kleumende, vermoeide kinderen. Hij foetert: „Ben je een beetje bedonderd, rooie? Ze voeren geen donderdag uit en ze hebben jonge benen. Als ze moe zijn, moeten ze maar op hun duim gaan zitten.”

In plaats van geen donder schrijft hij dus: geen donderdag. In datzelfde jaar gebruikt hij dit nogmaals, in een ander verhaal, nu in een gesprek tussen een vrouw en haar oom: „Zeg aan je principaal, dat ik geen donderdag om hem geef, vader!”

Ik kan dit verder nergens vinden. Particulier grapje van Van Groeningen of kwam / komt dit vaker voor? Het doet denken aan pot-vol-blomme voor de bekende g-vloek.

Opmerkelijk is dat Van Groeningen de foeterende arbeider wel bedonderd laat zeggen, maar niet geen donder. In plaats van een eufemisme zou het dus ook een oude, flauwe woordspeling kunnen zijn, in de trant van auf Wiener Schnitzel en klein monumentje (voor ‘klein momentje’). Aanvullingen welkom via het e-mailadres post@ewoudsanders.nl.

Het gebruik van bedonderdag (onder andere voor ‘1 april’) is mij bekend.