In een boek kan de kus eeuwig duren

Waarom zou je eigenlijk schrijven? In het kader van de Boekenweek geeft de jonge schrijfster Alma Mathijsen eerlijk antwoord op die onmogelijke, veelgestelde vraag.

Vorige week kuste ik een jongen. Zijn lippen raakten de mijne, alle planeten schoten door ons heen. Daarna was het voorbij. Ik weet niet of het nog een keer gaat gebeuren. Maar dat ik weet dat ik erover kan schrijven en het vast kan leggen zoals ik wil dat het vaststaat, geeft me een ongelofelijke geruststelling, alsof ik zelf het lot in handen heb. Ik kan iets creëren dat eerst nog niet bestond en er macht over hebben, zoals dat nooit lukt in het leven zelf.

„Because I feel like it”, antwoordt Bob Dylan als een journalist vraagt waarom hij muziek maakt. Hij haalt zijn schouders op. Vaak vragen mensen aan me waarom ik een boek wil schrijven. Die vraag komt op de tweede plaats, de bokaal gaat naar: ‘Waar gaat je boek over’? Beide verschrikkelijk moeilijke vragen. Zelfs auteurs van bestsellers kunnen daar geen bevredigend antwoord op geven. Jan Siebelink vroeg aan zijn redacteur nadat hij zijn nieuwste roman had voltooid: „Kun je me vertellen waar het over gaat? Ik weet het niet.” Dit omdat de schrijver nooit de volledige controle over een verhaal heeft; op een gegeven moment, als het werk goed is, gaat het zelf leven. Het creëert zijn eigen wetten, die de schrijver gedwee volgt. Een goede schrijver luistert naar zijn verhaal en niet andersom. Zoals Michelangelo zei dat hij alleen het steen van het beeld hoefde weg te slaan. Veel lezers vinden dat niet bevredigend. Ze willen dat de maker volledige controle over het werk heeft. Ze willen de code van een succesvol boek kraken. Dat er geen geheim is en dat schrijvers die code zelf ook niet kennen, is frustrerend.

In groep 3 begon ik met schrijven. Nu ja, schrijven, dat kon ik nog niet snel genoeg, dus ik dicteerde aan mijn moeder verhalen over een lappenpop die telkens uit zijn slaapkamerraam sprong en vervolgens avonturen beleefde. Ze zijn allemaal verloren gegaan, toen mijn moeders MS-DOS crashte. Waarom deed ik dat? Waarom wilde ik niet buitenspelen met andere kinderen? Ik ben enig kind, allebei mijn ouders werkten hard. Ik herinner me dat ik het grootste deel van mijn tijd alleen in de voorkamer zat met mijn speelgoed waarmee ik verhalen uitvoerde. Ik had maar zelden andere kinderen thuis om te spelen, ze begrepen niet dat het Playmobil-paard weigerde te lopen, omdat hij levensmoe was. Dat de eenogige piraat de letter ‘e’ niet gebruikte, omdat de letter e hem van zijn oog had beroofd. Dit ergerde me, soms zo erg dat ik begon te slaan. Mijn moeder besloot dat er geen kinderen meer uitgenodigd werden en dat stelde ik op prijs. Ik kon mijn eigen verhalen maken.

Toen ik ouder werd, begon ik verhalen die me invielen hardop uit te spreken op de fiets. Overal waar ik heenging praatte ik. Met losse handen, verschillende stemmen en uitgebreide omschrijvingen. Totdat een vriend me toevallig tegenkwam en vroeg: „Tegen wie praat je?” Ik schrok, het voelde of er een wereld instortte. Ik had een nieuwe dimensie voor mezelf gecreëerd waarin ik comfortabel was en nu die ontdekt was, was alles kapot. Zoals de baby die wordt doodgepraat in Who’s afraid of Virgiana Woolf? Op papier heb ik die wereld opnieuw gemaakt. Daarom kunnen recensies, goed of slecht, zo pijnlijk zijn: iemand zit aan jouw wereld.

Jonathan Coe antwoordt op de vraag waarom hij schrijft: „Force of habit, financial necessity and lack of talent in other areas.” Een eerlijk antwoord lijkt mij. Toch vergeet hij iets dat elke schrijver in zich heeft. George Orwell haalt dit aan in zijn essay Why I write uit 1947: „All writers are vain, selfish, and lazy, and at the very bottom of their motives there lies a mystery. Writing a book is a horrible, exhausting struggle, like a long bout of some painful illness. One would never undertake such a thing if one were not driven on by some demon whom one can neither resist nor understand.”

Waarom roep ik die ellende over mezelf af? Schrijven blijkt amper een keuze. Ik word voortgedreven, alsof een reusachtige wind in de zeilen blaast en ik geen andere kant op kan.

Waarom schrijf ik? In eerste instantie zou ik zeggen: omdat ik het wil. Meer niet. Net zoals alle andere dingen: waarom maakt een timmerman een tafel? Omdat er een tafel nodig is. Een schrijver schrijft omdat hij vindt dat er een boek nodig is. Toni Morrison zegt het: „If there’s a book you really want to read, but it hasn’t been written yet, then you must write it.”

Maar dan komt de tweede instantie, en dat is moeilijke kant van de vraag. Ook ik word voortgedreven door die demon van Orwell. Ik kies er niet voor om te gaan schrijven, ik moet schrijven. Ademen, poepen, schrijven: je kan niet besluiten het niet te doen.

Zolang er dingen om mij heen geschreven worden waar ik het niet mee eens ben, in de breedste zin, zal ik blijven schrijven. Ik wil dat mijn leven ertoe doet, daarom schrijf ik. Ik schrijf omdat ik iets anders lijk te denken dan de mensen om me heen en ik wil begrepen worden.

Ik hoop uniek te zijn. Maar een miljoen mensen in Nederland wil een boek schrijven. Dat beangstigt mij. Met zijn allen zie ik ze voor me in een oneindig lange gymzaal, allemaal achter een laptop, zonder te stoppen manuscripten wegtikken. Heel soms staren ze een paar seconden in de lucht, ze krijgen een briljant idee binnen en dan door. Daarom werk ik altijd zo hard tijdens het WK, wanneer Nederland tierend voor een scherm heen en weer springt, schrijf ik in sneltreinvaart. Zo hoop ik iedereen in te halen en te schrijven wat anderen over het hoofd zien. De wereld is toevallig en vreemd, door te schrijven probeer ik zin te maken. Niet dat dit lukt, maar proberen lijkt genoeg.

Ik kan niet verkroppen dat gebeurtenissen niets te betekenen hebben. Het leven is een aaneenschakeling van toevalligheden. Ik kan die niet zomaar voorbij laten gaan, ik wil dingen proberen te vangen die de vergetelheid niet waard zijn. Wie oordeelt daarover? De schrijver zelf, want niemand kan van tevoren weten hoeveel iets waard is. Terwijl ik schrijf probeer ik te ontdekken wat de essentie is. Dat lukt me het best in geschreven woorden.

De kus is voorbij. Maar niet op papier, daar lig ik al jaren samen met de jongen onder een waterval mijn mond vol te proppen met druiven en aardbeien.

Alma Mathijsen (1984) is schrijver en kunstenaar. Ze debuteerde vorig jaar met de roman ‘Alles is Carmen’.