Column

Het Strafhof moet zich nog steeds bewijzen

Het verschil is enorm. Twintig jaar geleden hadden oorlogsmisdadigers vrijwel niets te vrezen van het internationale recht. Nu is er een Internationaal Strafhof dat kan bijten. Hoe je het ook wendt of keert, dat is een vooruitgang van historisch formaat.

Maar het Strafhof is nog steeds een omstreden instituut. Ook al heeft het na tien jaar nu eindelijk zijn eerste vonnis uitgesproken, het moet zich nog bewijzen. Het moet nog laten zien dat het effectief, onafhankelijk en rechtvaardig kan functioneren. Dat het zoveel gezag heeft dat landen zijn arrestatiebevelen niet negeren. En dat het geen politiek instrument is in handen van westerse landen.

Voor een deel zijn dat taken voor het hof zelf – zijn aanklagers en rechters. Het eerste vonnis kwam tot stand na een chaotisch proces. Dat moet beter kunnen. De Congolese militieleider Thomas Lubanga werd woensdag veroordeeld voor oorlogsmisdaden, met name het ronselen en inzetten van kindsoldaten. Maar de rechters uitten tegelijk harde kritiek op de aanklagers, die onzorgvuldig zijn geweest bij het benaderen van getuigen via tussenpersonen. Dat is een ernstig verwijt, waarmee de juridische geloofwaardigheid van het hof in het geding komt.

Die geloofwaardigheid wordt ook van buiten bedreigd. Landen die de indruk wekken dat ze het tribunaal voor hun politieke karretje spannen, schaden het aanzien van het hof.

Dat gebeurde vorig jaar, tijdens de Libië-crisis. Kort nadat Moammar Gaddafi zijn troepen op de demonstranten en opstandelingen had afgestuurd, gaf de VN-Veiligheidsraad het Strafhof opdracht een onderzoek in te stellen naar het geweld. Voor zo’n onderzoek was zeker voldoende aanleiding, maar waarom had de Veiligheidsraad zich niet veel eerder bekommerd om de grove schendingen van de mensenrechten waar het regime van Gaddafi al jaren berucht om was? Nu leek het hof nogal opportunistisch ingezet te worden om de politieke druk op Gaddafi verder op te voeren.

Hoofdaanklager Moreno-Ocampo ging gretig in op het aanbod om een sleutelrol te spelen in de crisis. Al binnen enkele dagen, ongekend snel, opende hij een onderzoek. Nog geen vier maanden later waren de aanklachten klaar en werden er arrestatiebevelen uitgevaardigd tegen Gaddafi, zijn zoon Seif al-Islam en de chef van zijn veiligheidsdienst.

Gaddafi is inmiddels dood. De zoon wordt al maanden vastgehouden door een Libische militie en zal waarschijnlijk niet naar Den Haag worden gestuurd. En de veiligheidschef, dit weekeinde gearresteerd in Mauretanië, zal mogelijk ook nooit voor het Strafhof verschijnen – Libië en Frankrijk azen ook op zijn uitlevering. Zo kan het Strafhof, dat zo snel warm liep voor een politieke rol, uiteindelijk buitenspel komen te staan.

In de Syrische crisis pakken de grote landen, Amerika voorop, het anders aan. Ze houden voorlopig nog geen luidruchtige pleidooien om president Assad voor het Strafhof te brengen. In de Veiligheidsraad zou dat op dit moment waarschijnlijk ook worden tegengehouden door Rusland, maar ervoor pleiten zou best kunnen.

Dat dit niet of nauwelijks gebeurt kan erop wijzen dat men een les heeft geleerd. Dreig niet te snel met het Strafhof, dat kan altijd nog. Een politieke leider die gezocht wordt door het hof, of vreest dat hem dat boven het hoofd hangt, zal vermoedelijk eerder zijn hakken in het zand zetten dan zich openstellen voor een diplomatieke oplossing. Doorvechten kan aantrekkelijk zijn als het alternatief een cel in Scheveningen is.

Het Strafhof had een moeizame ontstaansgeschiedenis. Maar het draait nu. De wereld heeft een permanent tribunaal voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide. Komende jaren komt het erop aan het hof de ruimte te geven, zonder druk van buiten, om internationaal respect te verdienen.

Juurd Eijsvoogel