Een groepsreis naar werk en contact

Chauffeur Tjapko weet hoe belangrijk het is dat hij zijn passagiers met zijn busje precies op tijd haalt en brengt. Ze werken allemaal bij de sociale werkvoorziening in Utrecht, en ze hechten aan structuur. En aan hun collega’s, hun banen. Maar die vastigheid komt in het gedrang. Het kabinet bezuinigt sterk op hun voorzieningen.

Illustratie Harald Vlugt

Een doodgewoon wit Ford Transitbusje: schuifdeur, radio, klokje, grijze stoelen. Er passen acht mensen in. Het staat tussen identieke Ford Transits op een parkeerplaats op industrieterrein Lage Weide bij Utrecht.

Dit busje pikt elke werkdag, op exact hetzelfde moment, dezelfde mensen op die iedere dag weer op precies dezelfde plek in de bus gaan zitten. Ze stappen uit, lopen naar hun vaste werkplek en stappen aan het einde van de dag weer in.

Deze mensen vinden het doodgewoon dat dit busje ’s ochtends op de minuut af voor hun deur staat. Sommigen gaan bellen als het vijf minuten scheelt. Niet dat er zo vroeg iemand opneemt, maar toch. In al z’n gewoonheid is dit busje voor hen niet zomaar een vervoersmiddel. Dit busje is hun life line. Dit busje betekent: op tijd opstaan. Structuur. Werk. Contact. Je nuttig maken.

Eerst waren er twaalf busjes, dat is terugbezuinigd tot zes. Die brengen samen elke dag zo’n honderd mensen naar UW, de Utrechtse sociale werkvoorziening. De rest komt zelf.

Misschien rijden er straks nog minder busjes. Het kabinet schroeft de bijdrage per werknemer in de sociale werkvoorziening, waaruit ook het transport wordt betaald, terug van 27.000 naar 22.500 euro. Die bezuiniging moet ergens vandaan komen.

En er zijn straks ook minder mensen om op te halen. Als de nieuwe wet Werken naar vermogen van kracht is, zullen 70.000 van de 100.000 sociale werkplekken in Nederland verdwijnen. Voor elke drie die uitstromen, mag er maar één in. De rest moet, al dan niet gesubsidieerd, bij gewone werkgevers aan de slag. Donderdag zullen werknemers staken en actievoeren tegen de plannen.

Maar dat houdt deze passagiers niet bezig. Zij rekenen, zoals elke dag, op hun bus. Met vaste chauffeur Tjapko. Tjapko zat even bij fietsmontage, maar rijdt al weer jaren zijn route. Hier op de bestuurdersstoel is hij eigen baas.

Tjapko weet niet goed hoe hij moet lezen of schrijven, maar klokkijken kan hij als de beste. Hij wéét dat op tijd rijden zeer belangrijk is voor zijn passagiers. Regelmaat, voorspelbaarheid, houdt hij zelf ook van. Het klokje op het dashboard zegt 6.31 – hij tikt er nog even op als hij het terrein van UW afhobbelt.

De volgende mensen zullen het komende uur instappen. Om 6.45 Jetty en Fieneke die begeleid wonen in Nieuwegein. Die werken bij productie, spullen inpakken en zo. Jetty zit graag achterin, Fieneke in het midden bij het raam. Om 7.00 Rosalie in De Meern die zo moeilijk loopt. Die zit naast de deur. Om 7.10 Bert in Leidsche Rijn, die woont met z’n vrouw in z’n mooie koophuis. Bert zit graag voorin. Dan Yvonne en Gerard uit een woongroep (samen op de achterbank). Tjapko plaagt ze graag wat met hun vermeende relatie. En dan om half 8 terug bij UW. Soms stapt Mario in. Die komt zelf, maar als de lijnbus een paar minuten te vroeg op de halte is – en dat gebeurt vaak – is Mario te laat, dan pikt Tjapko ’m op. Mag officieel niet, maar ja. Als iemand aan boord is geladen, kruist Tjapko een lijst af die hij niet kan lezen.

Begeleider John reist voor de gelegenheid mee.

Stond je langs de route, dan kon je je klok erop gelijk zetten. Tjapko kent alle tussendoorweggetjes om de files te vermijden, hij is altijd op tijd. Maar bij Rosalie stagneert de boel vaak en dan vreet hij zich op.

Om 6.56 parkeert hij de bus voor haar tehuis en zet de zijdeur open. Hij ijsbeert heen en weer. „Dat is toch altijd een domper als ze te laat is.” Om 6.57: „Hoe laat is het? Nog drie minuten. Dan kunnen we nog lang wachten.” 6.59: „Wel een kwartier, zo lang kunnen we nog wachten. En ’t is ook nog koud voor de anderen. Alleen maar omdat zij zo rustig aan doet.” John: „Dan doe je de deur toch dicht?” Tjapko kijkt verongelijkt. De deur gaat met een klap dicht. 7.01: Rosalie komt naar buiten, stapje voor stapje met een looprekje, haar mond nog vol brood. Tjapko, verrast: „Zooooo!” Trapje inladen, deur dicht, rijden.

Soms rijdt de witte Ford Transit vanaf Lage Weide met een groepje naar een werklocatie. Naar een bedrijf waar ze spullen inpakken of monteren. Groepsdetachering heet dat. Bij UW werken zo’n 1.200 mensen: 300 op Lage Weide, zij werken het meest ‘beschut’. Dan nog ruim 300 in de groepsdetachering, 250 die buiten de deur werken bij Flora, Groen en Schoonmaak van UW en 300 die met begeleiding zelfstandig bij bedrijven werken.

UW leert mensen, vooruitlopend op de wet, niet te wachten op het busje. Dat rijdt ook niet als ze bij een andere werkgever aan de slag moeten. Erçan Senler, manager groepsdetachering, ziet dat voor de meeste van deze passagiers niet zitten. Hij wijst op hun werkplekken: grote ruimtes, geen muziek, schotten tussen tafels, eigen stoelen. De rookruimte is in de binnentuin met ramen rondom, zodat iedereen z’n eigen werkplek in de gaten kan houden. De kantine is ruim, dat voorkomt ruzie. „We hebben jaren nodig gehad om deze kennis op te bouwen.”

Werkgevers zitten niet te wachten op deze mensen, zegt hij. „Ze voelen zich vaak niet lekker, omdat ze bang zijn voor het onbekende, voor onaardige collega’s.” Vergis je niet, zegt Senler. Een gemiddelde werkvloer is hard. Mensen maken lompe grappen, zeggen mongool en idioot. Vaak komen deze mensen niet opdagen, simpelweg omdat er geen busje is dat ze ophaalt.

Er is een groep die wel te detacheren is. Neem Bert, ingestapt om 7.10. Bert is slim, zegt begeleider John, maar bij elke vorm van stress raakt hij van slag. Bert gaat ergens verwarmingselementen in elkaar draaien. Met intensieve begeleiding, want je moet je mensen wel kennen. De jongen die zonder nadenken spullen meeneemt, breng je niet naar een supermarkt. De vrouw die niet tegen werkdruk kan, niet naar een lopende band.

In dit busje is geen stress, er is stilte. Tot Bert instapt, dan komt de sfeer erin. Tjapko trekt op langs een speeltuintje. „Kijk Bert, ze hebben speeltoestellen voor je neergezet.” „Ja, ik moet toch blijven trainen.” De middenrij giechelt. Linksachter trekt de pet van het hoofd van rechtsachter. Tjapko: „Niet kussen op de achterbank!” Tjapko maakt grappen, anders wordt de sfeer chagrijnig.

Het busje rijdt om half 8 het terrein van UW op. De kantine zit stampvol. Sommigen komen al om half 7, voor de gezelligheid. Jetty schuifelt alvast naar de deur van haar werkplek. Uit de andere witte Ford Transits klauteren ook mensen. Ze zijn een half uur te vroeg, maar dat is niet erg. Zo gaat dat elke dag.