Column

De dagen erna

‘Al bekomen van de teleurstelling?” Ik vroeg het mijn vrouw een paar dagen nadat gebleken was dat ze als PvdA-lid op het verkeerde paard, Ronald Plasterk, had gewed. „Het went al”, zei ze kort. De vrijdagmiddag waarop de beslissing viel, was haar reactie nog korter geweest. Ik stond in een hoek van een dampende zaal in de Rode Hoed, waar de vlijtige campagnemedewerkers van Diederik Samsom net wat oerkreten hadden geslaakt, nadat voorzitter Spekman in zijn vakantiebroek-met-handige-zijzakken de winnaar bekend had gemaakt. Samsom betrad het podium en glom, wat met zo’n schedel ook makkelijk kan. „Hier sta ik”, riep hij ten overvloede.

„Kun je me horen?” vroeg ik in mijn mobieltje. „Het is Samsom geworden.”

Stilte. „Heb je me gehoord? Plasterk heeft het niet gehaald.”

Een zucht: „Jammer.”

„Waar ben je in vredesnaam? Je klinkt zo dof.”

„Ik sta hier met een vriendin op een tentoonstelling in Zuid over speciaal geconserveerde lijken.”

„Mijn god, dan had je toch beter naar de Rode Hoed kunnen komen.”

De daaropvolgende dagen heb ik alles gedaan om het leed enigszins te verzachten. Ik gaf haar de uitgeprinte versie van Samsoms congrestoespraak, zaterdag in Rotterdam, waar Job Cohen opgelucht werd uitgezwaaid, als een logé die een paar weekjes te lang was gebleven, maar die niemand had willen lozen omdat hij altijd zo aardig was en de gastvrouw om de twee dagen een bosje rode rozen gaf.

„Dit is dus nieuwe energie”, las ze hardop voor, „echte nieuwe energie.” Ze keek me aan. „Het lijkt wel de directeur van de Nederlandse Energie Maatschappij.”

„Geen scepsis, maar lézen”, zei ik, „wees een goede verliezer.”

Ze werkte de vijf velletjes braaf door. „Niet slecht”, moest ze toegeven. „Alleen die zin over de agent, de onderwijzer en de verpleger die ‘onze geluksmachines’ zijn….hoezo? Een agent als mijn geluksmachine?”

„Veiligheid! Samsom wil rechts het punt veiligheid afpakken.”

Toen stelde ik voor op Uitzending Gemist nog even te kijken naar de uitzending van vrijdagavond van PowNews over de verkiezing in de Rode Hoed. Dat had ik, in het belang van de PvdA, beter kunnen laten. We zagen de vier verslagen kandidaten en de winnaar schaapachtig voor de microfoon van Rutger Castricum verschijnen. Iedereen lachte, niemand voelde zich op zijn gemak.

Ronald Plasterk liet zich consequent als ‘ome Roon’ aanspreken, moest quasi meelevende woorden aanhoren en ten afscheid een lieve knuffel van zijn plaaggeest ondergaan. Die daarop tegen Plasterks vrouw kraaide: „Ik had hem weer te pakken!” Ik vroeg me af hoe lang Plasterk deze meegaande houding had volgehouden als hij de PvdA-leider geworden was.

Toen mocht Samsom aantreden met zijn ontwapenende breedbeklach. „Ik praat tegen jou anders dan Cohen”, liet hij zich onhandig ontvallen op een vraag naar een verschil in stijl. Hoezo, wilde Castricum toen natuurlijk weten. Samsom probeerde te ontwijken, maar hij had al te veel gezegd. „Ik vind jou wél aardig”, zei Samsom. „Cohen dan niet?” vroeg Castricum. „Ik had niet die indruk”, zei Samsom.

„Allemachtig”, zei ik tegen mijn vrouw toen ik dit gezien had, „zijn ze in die partij van jou eigenlijk wel klaar voor Geert Wilders – want dat is nog even andere koek dan Rutger Castricum.”

„Ik weet het niet”, zei ze, „zullen we het nu over iets anders hebben?”